Homepagina > Het Spoor > Museum en Museum-lijnen > Een lokaal spoorwegmuseum in wording te Mechelen
Een lokaal spoorwegmuseum in wording te Mechelen
zondag 28 juni 2026, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Toen wij in september ll. de installaties van de CW Mechelen bezochten – dank zij „opendeurdagen” kon het publiek, in dit jubileumjaar van de NMBS, zowat overal te lande achter de schermen van ons bedrijf kijken – sloegen wij, bij wijze van spreken, twee vliegen in één klap. En ook de tweede „vlieg” loonde de moeite, wat sommige lezers wellicht sceptisch zal doen opkijken als wij specifiëren dat het een tentoonstelling betrof die onder het motto „lokaal spoorwegmuseum in wording” werd georganiseerd.
Als je, zoals wij, op het terrein van spoorwegmusea slechts een beperkte ervaring hebt, is het gevaarlijk superlatieven te hanteren. Toch durven we te zeggen, en de talrijke bezoekers zullen dat wel beamen, dat het een boeiend schouwspel was. En intrigerend ook. Want hoe komt een CW op de gedachte om een dergelijke tentoonstelling te organiseren?
Vermits we toch ter plekke waren, gingen we met onze vragen aankloppen bij hoofdingenieur Verbeeck. Als directeur van de CW Mechelen dient hij immers te weten wat er in zijn domein omgaat. En dat hij het weet, kun je hierna lezen.
Mijnheer Verbeeck, „een lokaal spoorwegmuseum in wording” lijkt ons een vrij omslachtig uithangbord. Vooral dat „wording” hindert ons enigszins.
Eigenlijk zijn we slechts gedeeltelijk verantwoordelijk voor die benaming. Aan de oorsprong ervan ligt een oproep die het Nationaal Comité voor Solidariteitswerken in het begin van dit jaar deed. Dit comité zag de oprichting van dergelijke lokale musea in verschillende gewesten als een vorm van vrijetijdsbesteding, vooral dan voor gepensioneerde spoormannen.
Terloops gezegd, wij maakten ons aanvankelijk niet al te veel illusies over dit initiatief. Slechts na een paar vergaderingen met afgevaardigden uit de onderscheiden gewesten zijn wij er in gaan geloven. Inmiddels was het terrein van die lokale musea ook duidelijker afgebakend: er werden geen beperkingen gesteld aan de aard van de verzameling en die musea zouden in elk opzicht een fraaie en onafhankelijke aanvulling zijn van het Nationaal Spoorwegmuseum.
Blijft dan nog dat „wording”?
Dat zou de lezer aan het einde van dit gesprek duidelijk moeten zijn.
Zoveel geduld hebben we wel, M. Verbeeck. Belangrijker lijkt ons overigens te weten hoe u, nauwelijks negen maanden na die oproep waarover u het daareven had, hier een begin van een museum kunt tonen dat, gelet op die korte tijd, beslist verwonderlijk is.
Maar niet zo verwonderlijk voor wie weet dat de gepensioneerde spoormannen uit het Mechelse als eersten die oproep hebben beantwoord en onmiddellijk merkwaardige documenten en voorwerpen hebben verzameld. Een vlugge aanpak, die echter evenmin verwonderlijk is voor wie vertrouwd is met de geest hier te Mechelen en voor wie weet hoe de spoorwegen in het algemeen, het Arsenaal en de spoormannen met elkaar vergroeid zijn.
Daarbij werd op 6.2.76 een museum-vereniging gesticht, die de betekenisvolle benaming van „De Mijlpaal” [1] kreeg. De vereniging wordt geleid door de heer Goossens, eerste technisch inspecteur, die net op tijd gepensioneerd werd om haar eerste voorzitter te worden.
Toch lijkt de prestatie ons nog een krachttoer!
Dat er, buiten ieders verwachting, in zo korte tijd zoveel werd bereikt, is slechts mogelijk geweest dank zij het enthousiasme van allen die bij het initiatief betrokken zijn. Verder mag ik wel zeggen dat de museumkoorts hier erg besmettelijk is geweest. Maar dat alles zou geen zoden aan de dijk hebben gezet als onze mensen geen belangstelling hadden voor hun eigen verleden. En dat laatste vooral verheugt me.
Vanzelfsprekend werd het initiatief ook beïnvloed door de beslissing om, ter gelegenheid van onze opendeurdagen, niet alleen de eerste resultaten maar ook onze toekomstplannen aan het publiek voor te stellen. Uiteraard werd de zaak hierdoor nog wat meer versneld... misschien zelfs wat te veel... Van nu af zal het wel wat rustiger aan moeten.
En wat methodischer...
Inderdaad. Waarmee ik natuurlijk niet gezegd wil hebben dat er tot nog toe zo maar geïmproviseerd werd. Integendeel. De grote lijnen kregen gaandeweg vorm. Ze liggen als het ware besloten in de opvatting zelf van die musea welke in alle bescheidenheid en met beperkte middelen moeten worden uitgewerkt.
Daarbij komt dan dat, vanwege hun lokale karakter, de concrete dingen van elke dag en datgene waarvoor de gewone man belangstelling heeft, een determinerende rol gaan spelen. Wanneer je dat alles omlijst met de spoorwegevolutie in het algemeen, dan krijg je uiteindelijk een levendig en harmonisch geheel.
Hoe ziet u dan de verdere uitwerking van dat harmonisch geheel?
Heel eenvoudig: wij willen geen kille verzameling van weliswaar waardevolle voorwerpen, maar een levendige evocatie, een uitbeelding van een evolutie, een soort film die het de bezoeker allemaal opnieuw laat beleven.
Verder hebben wij als devies: „Maak van de nood een deugd”. Authentieke voorwerpen liggen helaas niet meer voor het grijpen: wij hebben er tot nu toe al te weinig aandacht aan besteed. Daarom zullen we ons behelpen met schaalmodellen, diaprojecties, fotomateriaal en dies meer om de evolutie van de spoorwegen, van hun installaties en van hun materieel uit te beelden, zoveel mogelijk aangevuld met die resterende authentieke voorwerpen welke, omringd door de hogergenoemde hulpmiddelen, een betere illustratieve waarde krijgen.
Kunt u de lezer een overzicht geven van wat het museum al is en worden zal?
In afwachting dat de „pioniers” van het museum de gelegenheid krijgen hierover breedvoerig uit te weiden, wil ik je graag een schematische voorstelling geven die ik in vier luiken onderbreng.
Eerste luik – De voorgeschiedenis: gedetailleerde documentatie van wat die memorabele 5 mei 1835 voorafging; vestiging van de eerste spoorweg van het Europese Vasteland in België dat pas onafhankelijk was en voor zijn vervoer aangewezen bleef op de waterwegen van de buurlanden; Mechelen als oorspronkelijk centrum van dat net.
Tweede luik – Evolutie van 1835 tot nu van de spoorweginstallaties te Mechelen, van zijn Arsenaal en van de stad, waarvan de groei door het spoorweggebeuren bepaald werd. Die evolutie zal o.m. uitgebeeld worden door een achttal schaalmodellen waarvan het eerste bijna voltooid is. Tot dit tweede luik behoort ook de geschiedenis van de Mijlpaal die door de h. Goossens tot in haar kleinste bijzonderheden werd wedersamengesteld.
Derde luik – Alle documenten die ook maar iets met de spoorwegevolutie en met de spoormannen te maken hebben, zoals wetten, oorkonden, notulen en dergelijken, tot zelfs berichten en commentaren in dagbladen en tijdschriften – van banale dingen van elke dag... van vóór meer dan honderd jaar. Totnogtoe al vijf lijvige boekdelen! En dat is nog maar een begin.
Vierde luik – Schaalmodellen (1/10) van het rijtuigenpark van 1835 tot nu. Een reuzenwerk, waarmee overigens al werd gestart en dat mettertijd wel zal groeien.
Verder komen dan verzamelingen van allerlei voorwerpen, onderdelen van stoomlocomotieven en hebben wij nog een waslijst van ideeën...
Gelukkige mensen, zouden we zeggen, die nog werk genoeg hebben om hun vrije tijd te vullen?
En terecht zelfs een tikkeltje fier. Stel je voor dat ze uitvisten in welke straat Walschaerts, de man die de stoomverdeling perfectioneerde, in 1820 geboren werd. Het is slechts omdat de huizen toen nog geen nummer droegen, dat ze niet konden bepalen in welke schoorsteen de ooievaar die beroemde spoorman bestelde. Maar dat komt nog wel.
Hebben ze soms nog andere dingen ontdekt?
Enige tijd geleden werden funderingen van een in 1836 opgerichte loods voor locomotieven en rijtuigen blootgelegd. Wij vermoedden (met 2 d’s) dat het hier het oudste spoorweggebouw van het Europese Vasteland gold. Maar ja, met vermoedens alleen schrijf je geen geschiedenis. En inderdaad, daags vóór de opendeurdagen vernamen we dat het Staatsblad van 5 mei 1835 melding maakt van een gebouw dat, bestemd als directiebureau, op dat ogenblik werd opgetrokken bij de ingang van de Groendreef te Brussel. Hopelijk vindt men ook daar nog wel eens resten van terug.
Wat mijzelf echter het meest ontroerd heeft, is de ontdekking door de h. Goossens van het in 1837 opgerichte allereerste gebouw van Arsenaal Mechelen, dat thans nog steeds in gebruik is. Ik huiver nog bij de gedachte dat ik jarenlang – en ik niet alleen – er naar gestreefd heb dit gebouw ooit eens onder de hamer te zien gaan. Mijn enig excuus: hoe zou ik het geweten hebben...
In historisch opzicht heeft de oprichting van dit museum beslist zijn verdienste?
Zeg dat wel. Ik sprak je al over de gebouwen van 1837. Een ander voorbeeld onder de vele. Op de zuidelijke uithoek van de CW, vlak bij het station, wordt ten behoeve van de reizigers een parkeerterrein aangelegd. Vóór een paar dagen werden er bij de uitgravingen zeer oude sporen blootgelegd: T profiel zonder voet van 1848... visbuikrail van 1836. Welnu, indien de aanleg van dit parkeerterrein een tiental maanden vroeger was begonnen, dan waren die spoorstaven nu al lang verkocht als schroot tegen... 4,5 fr. het kg!
Als ik goed begrijp, heeft die museum-koorts hier bij de spoormannen heel wat wakker gemaakt. Maar hoe reageert het publiek?
Je weet natuurlijk ook dat de spoorweg wel eens bekritiseerd wordt. Hoge bomen vangen nu eenmaal veel wind. Maar geloof me, zowel de opendeurdagen als ons „museum in wording” hebben ons ervan overtuigd dat het publiek de spoorwegen niet zo ongunstig gezind is als sommigen wel willen doen geloven. Belangstelling voor onze activiteiten, voor ons verleden, voor de evolutie van de spoorwegen is er alleszins.
En hoe ziet u het nu verder M. Verbeeck?
Gewoon voortdoen natuurlijk. Er is nog meer dan werk genoeg – zowel denk- en speurwerk als handwerk – voor jaren, voor velen.
Dat is een duidelijke wenk. Geldt die soms uitsluitend voor de gepensioneerden?
Overeenkomstig de doelstellingen van de door het Nationaal Comité voor Solidariteitswerken genomen beslissing moet het initiatief maximaal aan de gepensioneerden worden overgelaten. Vanzelfsprekend dienen wij hen in de mate van onze mogelijkheden bij te staan waar zulks nodig is, zoals de laatste weken bij het opzetten van deze tentoonstelling is gebeurd.
Anderzijds heeft niemand er baat bij belangstellende actieve personeelsleden te weren. En belangstelling is er in elk geval. Hulp werd en wordt dankbaar aanvaard, zowel van personeelsleden in actieve dienst als van mensen van buiten uit. Tijdens de opendeurdagen kwam er trouwens van vele zijden hulp.
Kan elke gepensioneerde meewerken?
Iedereen kan zich verdienstelijk maken. Zelfs de oudsten, want hun herinnering reikt ten slotte het verst.
Voor sommige gepensioneerden is het wellicht een gelegenheid om ook nog wat kameraadschap te vinden.
Een experiment dat alleszins navolging verdient?
Wij hopen het hier allemaal hartsgrondig. Wij zouden best kunnen samenwerken met andere gewesten, een federatie stichten... een soort reizend museum bouwen.
Wat bedoelt u daarmee, M. Verbeeck?
Het heeft geen zin dergelijke musea het jaar rond open te houden. Veel doeltreffender is het, ze open te stellen naar aanleiding van bepaalde lokale gebeurtenissen, zodat ze uitgroeien tot een regionale traditie.
Elk gewest zou zijn eigen terrein kiezen: zoals Mechelen zijn reizigersmaterieel heeft, hebben ook Gentbrugge, Salzinnes en Cuesmes hun specialiteit. Het hoeft natuurlijk allemaal niet zo streng afgelijnd te zijn, als er maar afgesproken wordt wie wat doet. Op die manier zou er een patrimonium ontstaan dat onder de verschillende musea uitgeleend zou kunnen worden.
Wij hopen van harte, M. Verbeeck, dat het ooit zo ver komt.
Dank je wel voor die wens. Dank ook aan het Nationaal Comité voor Solidariteitswerken voor het initiatief en hoed af voor onze gepensioneerden die er werk van maken: ik hoop vurig dat deze mensen nog wel de gelegenheid krijgen de lezers met heel wat meer bijzonderheden te boeien.
En nu, als het mag, nog even dit. Meermaals heb ik menen vast te stellen dat mensen die nochtans met een zekere voldoening, ja zelfs met enig ongeduld naar hun pensionering uitkeken, eenmaal „op rust” gesteld, niet meer zo enthousiast waren over die rust, omdat ze dachten dat ze als gepensioneerden niet meer mee mochten doen, dat ze wel nog geduld werden, maar niet meer meetelden. De Engelsen noemen dat „retired”. Welnu, opdat zij zichzelf niet als een museumstuk zouden beschouwen, kunnen ze wellicht samen met hun vrienden een museum bouwen. Het is een aangename bezigheid, ze bewijzen zichzelf, onze samenleving en de komende generaties een dienst en, wat nog belangrijker is, zij zijn alvast nog niet... „retired”.
Bron: Het Spoor, december 1976
[1] Opgericht te Mechelen als aandenken aan de officiële opening, op 5.5.1835, van de eerste spoorlijn Brussel - Mechelen
Rixke Rail’s Archives