Homepagina > Het Spoor > Geschiedenis > De spoorwegen te Antwerpen

De spoorwegen te Antwerpen

M. Kenis.

donderdag 11 juni 2026, door Rixke

 Een nieuw station

De stadsmagistraat had zich hier echter vergist. Het kwaad dat men dacht uit te roeien, werd alleen maar verplaatst. En waar het van toen af gedaan was met klachten in verband met oponthoud van 30 minuten en meer aan de OW van de Carnotstraat, horen wij nu gelijkaardige klachten, maar dan in verband met de overwegen aan de Kievitstraat, op Zurenborg, en opnieuw aan de Steenweg naar Turnhout, zij het dan iets meer naar het noorden (huidige Foorplein). Weldra worden die klachten zo luid en zo indringend, dat opnieuw ernstig moet worden gedacht aan een afdoende oplossing. Er is nog meer: een voortdurend en bestendig overschrijden van de hoofdsporen met alle gevaar en ongevallen van dien. Bovendien wordt het station zelf véél te klein. Vergeten wij niet dat tussen 1850 en 1890 de bevolking van de stad haast verdrievoudigd is. Er moet dus iets gedaan worden om al die kwalen te verhelpen. En zo wordt er weer een nieuw station ontworpen.

Verscheidene ontwerpen plaatsen dat nieuwe station gewoon buiten het stadsgebied, bijv. in Berchem of in Mortsel. Andere plannen, daarentegen, behouden het station in de stad. In dit laatste geval moet het station ofwel in een uitgraving ofwel op een ophoging worden gebouwd. Drie ontwerpen genieten blijkbaar de voorkeur van de bevoegde instanties:

  • herbouw van het station op dezelfde plaats, maar dan op een ophoging en met de voorgevel naar de De Keyserlei gericht. Die oplossing wordt verworpen omdat in dat geval de huizen die palen aan de Pelikaanstraat, de De Keyserlei en de Vestingstraat, en die nauwelijks 10 jaar oud zijn, zouden moeten worden afgebroken;
  • herbouw op een meer zuidwaarts gelegen plaats, richting Berchem. Dit vrij gewaagde plan was ontsproten aan het brein van schepen Coppieters (1886). Het nieuwe station zou eveneens op een verhoog worden gebouwd, maar dan zonder koepel en met zijn hoofdingang ter hoogte van de huidige Van Leriusstraat. Vóór het station zou een prachtig plein aangelegd worden dat tot aan de Ploegstraat zou reiken. Verder zou er nog een park komen dat zou aansluiten op de Dierentuin. Op de plaats van het station zoals we dat nu kennen en het Astridplein, zou er ruimte zijn voor een winkelcomplex met overdekte wandelgang die zou worden verlicht met duizenden gasbollen „...die eene aangenaeme blik zouden gunnen aen het oog des vreemdelings”. Zo voorgesteld zou je er haast spijt van hebben dat het plan Coppieters nooit werd uitgevoerd;
  • het plan De la Censerie, aldus genoemd naar de naam van de Brugse bouwmeester die het ontwierp. Dit is het plan dat uiteindelijk wordt aanvaard. Het station, dat op een ophoging wordt gebouwd, omvat het imposante gebouw in neo-barok en een koepel die vervaardigd en geplaatst wordt door Les Ateliers Métallurgiques de la Sambre. Wat de koepel van het stationsgebouw betreft willen we er terloops aan herinneren dat het oorspronkelijke model kleiner was en meer een klokvorm had.

 Antwerpen-Centraal

Op het plan zijn negen sporen getekend – de nu bestaande sporen vijf en zes vormen slechts één spoor – maar uiteindelijk worden er dat tien. In- en uitrit kunnen gebeuren over 4 hoofdsporen (nu 6). Vermeldenswaard is zeker ook dat de spoorverbinding met het station Antwerpen-Dam, dat in 1907 in zijn geheel zal worden verschoven, eveneens wordt verhoogd.

Langsheen de Van Immerseelstraat komt een stelplaats met draaischijf voor locomotieven. Met het oog op de bouw van die stelplaats dient de Herentalse vaart gedeeltelijk te worden overwelfd. Het gebouw zelf is een ware tentoonstelling van wat de Belgische ondergrond aan steensoorten voortbracht. Buiten kalksteen uit Basècles, wordt gebruik gemaakt van hardsteen uit de Provincie Luik (Moha) en tal van marmersoorten (Belgisch donkerrood, grijs Vodelée en St.-Aimé, bruin van Feluy en Waulsort). Bovendien gebruikt men ook Schots graniet en Franse witte steen.

 Kritiek

Dit plan, dat zeer in de smaak valt van het stadsbestuur, ontlokt echter heel wat kritiek in de pers. In „De Schelde” en in het „Handelsblad” vragen de journalisten zich af:

  • hoe oude mensen en kinderen zo hoog zullen kunnen klimmen om bij de treinen te komen;
  • hoeveel lawaai de treinen, op een brug rijdend door de stad, wel zullen maken;
  • hoeveel ziekten er zullen worden veroorzaakt door de vochtigheid onder de talrijke ontworpen bruggen, „... waer nooit des zonnes ligt” meer zal doordringen.

Bovendien zal de dierentuin volledig worden verborgen achter het gebouw en de koepel, wat aanleiding zal geven tot het verkwijnen en, daarna, het sluiten van die nuttige instelling.

 We bouwen weer

Al die protesten baten niet. Op 17 november 1895 begint men met de ophoging van het terrein en de bouw van de koepel.

Dit belangrijke werk verloopt soepel en met weinig hinder en ongevallen. Wij willen er hier nog even op wijzen dat het samenvalt met de verhoging van het ringspoor rondom Antwerpen. Er bestaan verscheidene prentkaarten van de werken. En hoe belangrijk ze wel waren kunnen we wellicht illustreren door te vermelden dat Leopold II ze in september 1896 met een bezoek vereerde. Op 15 juli 1898, bijna drie jaar na de eerste spadesteek, wordt het verhoogde station met zijn monumentale koepel plechtig in gebruik genomen.

En toch wordt het houten, voorlopige station van Antwerpen-Oost niet uitgerangeerd. Het wordt verder gebruikt voor de verkoop van reiskaartjes. Ook de uitgang gebeurt verder via het oude station. De toegang van het nieuwe station bevindt zich onder de 3e boog (nu toegang Posterijen), recht tegenover de estaminet Bavaro-Belge (nu Hotel Excelsior).

 En maar inhuldigen

Natuurlijk wordt er weer gefeest. Er hangt een prachtige zomerhemel boven de stad. Wanneer trein nr. 269, de eerste die uit Brussel komt, onder de hoede van hoofdwachter De Vriendt en wachter De Ridder binnenrijdt in het station waar hij wordt opgewacht door stationschef Van Dam in vol ornaat, steek en sabel incluis, schallen de klaroenen. Het geestdriftige publiek juicht en klapt in de handen.

’s Avonds geeft de Harmonie der Ware Vrienden een concert op het stationsplein dat baadt in het licht. Ook de bomen van de De Keyserlei zijn verlicht met rode en witte ballons. Onnodig te zeggen dat de koffiehuizen schitterende zaken doen. Het relaas van heel die feestelijke bedoening vind je natuurlijk terug in de kranten, bijv. in Het Handelsblad:

Eene ontzaggelijke menigte krioelde op de De Keyserlei en in de Van Schoonhove-, de Breidel- en de Pelikaenstraat, zoodat de beweging der rijtuigen en den dienst der trams bijna niet mogelijk was. Alles – ook het statiegebouw – was bevlagd. Guirlanden van ligt slingerden tusschen de boomen en de gazlanteerns, en bijna alle huizen waeren van boven tot onder verligt. Talrijke persoonen waeren naer den Ouden-God gewandeld en hadden om de eer te hebben met den eersten trein aen te komen, daer een kaertje genomen. Zij die hunne vrouw of dochter hadden meegenomen, hadden goed gedaen, want alle dames werden bij hare aenkomst met schoone bloemtuilen vereerd. Hoe die menschen tusschen dit gedrang buiten geraekt zijn is onbegrijpelijk maer van de bloemtuilen zal er niet veel overgebleven zijn.

In zijn toespraak – het onvermijdelijk geworden ingrediënt van elk feest – brengt burgemeester J. Van Rijswijck hulde aan de Minister van Openbare Werken Vandenpeerenboom, aan architect De la Censerie en aan stadsingenieur Van den Bogaert.

 Hoe reageert de pers?

Er zijn wel wat moeilijkheden met de pers aangezien de journalisten niet op het aankomstperron werden toegelaten, wat de Metropole doet schrijven:„Nous accusons l’administration des Chemins de Fer de rond-de-cuirisme, sinon de mauvaise volonté.

(Wij beschuldigen de administratie van de Spoorwegen van bureaucratie, om niet te zeggen, van slechte wil).

Het zijn gelukkig niet altijd dergelijke, zure oprispingen die wij in de pers lezen. En dat het, ondanks ons doodernstig karakter, toch nog wat humoristisch kan, lezen we in Het Handelsblad van 23.01.98, waar de dienst hebbende reporter ons een reisje naar Lier verslaat:

Er is verleden week in de Ooststatie nogal wat gelachen. Twee Antwerpenaers die voor zaken naer Lier moesten gaen, hadden plaets genomen in het laetste rijtuig van eenen trein. Om gerust te zijn hadden zij seffens achter hunnen rug de portel gesloten en wachtten nu rustig het vertrek af.Daar floot de statieoverste, de locomotief liet haer gefluit hooren, de trein zette zich in beweging maer,... wie niet vertrok, waeren onze 2 sinjoren. Ze hadden plaets genomen in een rijtuig dat niet tot de trein behoorde! De figuur van een hunner, die door het raemke kwam zien wat er gebeurde, was onbeschrijflijk van verbaezing."

(wordt voortgezet)


Bron: Het Spoor september 1976