Homepagina > Het Spoor > Maatschappij > De memoires van een treinabonnee in een notedop

De memoires van een treinabonnee in een notedop

maandag 30 maart 2026, door Rixke

Pendelen is ook in ons land een veel voorkomend verschijnsel, dat dan wellicht nog in de hand wordt gewerkt door de dichtheid van ons spoorwegnet, onze typische honkvastheid en andere lovenswaardige motieven.

Zo hebben wij ooit in een weekblad de ontroerende bekentenis gelezen van een man die, na een decennium pendelen, verklaarde de trein niet meer te kunnen missen omdat hij „in al die jaren in dezelfde treinen vrienden had gemaakt met wie hij uren over alles en nog wat kon praten, met wie hij een kaartje kon leggen, die zijn werkdag opvrolijkten en wier gulhartigheid, belangstelling en vriendelijkheid hij veel meer nodig had dan een pint bier...” Gelukkig zijn is dus maar een levenskunst! Daaraan dachten wij toen de heer Karel Wouters, directeur van een financiële instelling, onze Maatschappij zijn spijt betuigde omdat hij, vanwege zijn pensionering, zijn „status van pendelaar” diende op te geven of, zoals hij het zelf formuleerde, „als trouw pendelaar zich verplicht zag afscheid te nemen van een trouwe dagelijkse metgezel die”zijn„trein,”zijn„coupé,”zijn„hoekje geworden was.”

Ofschoon dit zeker geen unicum is, vonden wij het feit zo sympathiek dat wij hier niet alleen zijn brief afdrukken, maar ook even met de man zijn gaan praten. Brief en neerslag van dat gesprek kan je hierna lezen.

Geachte Heer Directeur-Generaal,

Een trouw pendelaar – tot rust gedoemd – ziet zich verplicht afscheid te nemen van een trouwe dagelijkse metgezel. Het was geworden „Mijn” trein, „Mijn” coupé, „Mijn” hoekje.

Tijdens mijn bestaan heb ik nooit of nergens zoveel en zo lange tijd doorgebracht dan in de trein.

Het begon 1.12.41 met een eerste abonnement te onderschrijven. Als toenmalig inspecteur doorkruiste ik mijn werkgebied. De oorlogsperiode was weinig aanlokkelijk, maar het was... moeten.

Meermaals verliet ik ’s morgens mijn woonplaats tussen 6 en 7 u. om er weer te keren tussen 22 en 23 u.

Hoeveel uren was ik de gezel van het Spoor of moest ik in een of ander verlaten oord mijn gezel afwachten.

Het was voor mij een gelegenheid om mijn kennis in aardrijkskunde te verrijken. Zonder deze moeilijke verkeersmoeilijkheden zou mij menig afgelegen stationnetje vreemd zijn gebleven.

Toen nadien – ingevolge de oorlogsgebeurtenissen – af en toe het spoor van uit de lucht werd bestookt, moest ik als dagelijkse reiziger dekking zoeken ’t zij onder het ijzeren vehikel, ’t zij in een krater van een vorig bombardement.

Het leek wel „het” middel om onze lenigheid te testen.

Kwam de periode der V-bommen met af en toe een tijdelijke onderbreking van de lijn 25. Nooit heb ik zoveel aan footing gedaan.

Bleef de „lijn” uitstekend wegens deze footing of bij gebrek aan calorieën om niet van „schrik” te gewagen?

Nochtans warm aanbevolen aan onze automaniakken. Alleszins m. i. een remedie tegen hartinfarct.

Nooit heb ik er mijn goed humeur bij verloren, evenmin ben ik – gelukkiglijk - betrokken geweest bij een spoorramp.

Outsiders – niet pendelaars – noemden mij weleens „maniak” omdat ik tijdens het week-end of binst de vakantie „mijn” hoekje in „mijn” kussens opzocht, om van een ritje Antwerpen - Brussel te genieten, alsof ik dit landschap nooit had gezien. Aan alles komt evenwel een einde. Zo zal 1 aug. e.k. een punt stellen achter 392 maanden of ± 8.700 dagen treinreis.

Ik heb de 400 maanden niet kunnen bereiken of zou ik als „oprust-gestelde” er een hobby van maken? Er zijn vissers, schilders, schrijvers en zeg maar op, waarom geen „pendelaars-treinmaniakken”?

Misschien ben ik geen recordhouder, wat niet wegneemt dat ik als welopgevoed reiziger mijn dank zou willen betuigen aan Uw maatschappij, aan Uw geschoold personeel – dat zorg heeft gedragen om mij steeds veilig ter bestemming te brengen. Jammer dat er geen spoor ligt naar de „rustige” plaats van onze eindbestemming.

Mocht dit er komen dan ben ik voorzeker kandidaat.

Moge Uw spoor het „goede spoor” behouden om nog vele van mijn opvolgers dezelfde vreugde en het grote genoegen te verschaffen, dat mijn aandeel is geweest. Vaarwel en nogmaals dank. Met oprechte hoogachting.

(get) K. Wouters.

Had U een bepaald doel, mijnheer Wouters, toen U ons schreef?

Ja, omdat ik het normaal vind dat iemand die een pluimpje verdient, het ook krijgt. De spoorweg heeft me 33 jaar lang veilig naar en van mijn werk gebracht. Heel wat mensen hebben het altijd over de inconveniënten van de spoorweg, maar mij komt het voor dat zijn eigenschappen meestal zijn kleine gebreken veruit overtreffen. En het is pas op ’t ogenblik dat je van iets of iemand afscheid neemt dat je beseft wat je eraan hebt gehad.

U heeft als pendelaar alleszins geen prettig debuut gekend. Was die oorlogsperiode met al haar ongemakken ook niet een beetje avontuurlijk?

Beslist! Avontuurlijk mag je het wel noemen. Want de treinen hadden in die periode niet alleen veel tijd nodig (het gebeurde meestal opzettelijk!), maar er waren tal van andere ongemakken: bestendige overbevolking, geen verwarming, technische defecten, bombardementen, mitraillades.

Zo was het heel gewoon dat ik te Antwerpen vertrok om half zeven en bijvoorbeeld slechts om elf uur te Tienen aankwam.

En over bombardementen gesproken. Op een dag hield de trein halt in station Mechelen. Geen sprake meer van nog verder te rijden. Ik kwam op de gelukkige gedachte mijn weg met de tram (via Boom) voort te zetten. Zo ontsnapte ik aan een geweldig bombardement dat de centrale werkplaats in puin legde.

De lijn 25 behoorde tot de bevoorrechte lijnen, m.a.w. als er iets misliep, was er nog altijd de lijn 27.

Inderdaad, bij een incident hadden we steeds twee mogelijkheden: ofwel een stukje te voet lopen, ofwel op een trein stappen die de lijn 27 bediende.

De oorlog was natuurlijk een bewogen periode, maar heeft U in vredestijd soms ook een en ander beleefd?

Om eerlijk te zijn, mijn bestaan als treinreiziger is in vredestijd vrijwel rimpelloos verlopen.

Een voorval dat U is bijgebleven?

Neen, ten ware je het een unieke gebeurtenis vindt dat ik, op zekere dag, met iemand anders regenjas van de trein stapte. Een vergissing die wel meer reizigers begaan die op het laatste nippertje de trein uithollen. Wat mij betreft, moet ik zeggen dat dank zij de bemiddeling van het station, alles in orde is gekomen.

Sedert 1941 is er natuurlijk heel wat veranderd. Is het spoorwegverkeer er, naar uw mening, sedertdien op vooruitgegaan?

Qua snelheid is de lijn 25 er niet zo erg op vooruitgegaan, aangezien ze reeds vóór de oorlog geëlektrificeerd was. De modernere rijtuigen en de gecadanceerde dienstregelingen bieden de reiziger nu natuurlijk een betere „service”.

Op andere lijnen is de verbetering echter wel merkbaar, dank zij de elektrische en dieseltractie. Ook de spoorweginfrastructuur is op heel het grondgebied verbeterd en aangepast aan de behoeften van de reizigers.

Pendelen is doorgaans geen pretje, vooral op de drukke uren. Desondanks is het nooit in U opgekomen een ander vervoermiddel te gebruiken om U naar uw werk te begeven?

Neen, in een auto kan je immers geen krant lezen of een dossier inkijken; op bus of tram evenmin. Bovendien weet je met de trein precies wanneer je vertrekt en wanneer je aankomt. Opstoppingen en verkeersmoeilijkheden zijn ook niet van die aard dat ze je werkdag opvrolijken. Weet je dat mijn Brusselse collega’s soms meer tijd nodig hebben om hun werkzetel te bereiken dan ik vanuit Antwerpen?

Johan Daisne heeft eens geschreven: „Een landschap is bijna altijd mooier gezien vanuit een trein omdat je het ingelijst ziet vanuit het raampje als een schilderij of een film; en dan vanwege de spoordijk: je ziet alles inderdaad vanaf een”hoger" standpunt. Ziet U het ook zo?

Wanneer ik op lijnen rij die ik niet of nauwelijks ken, ben ik het met die visie volledig eens. Je bekijkt het landschap als een film die zich voor je ogen afrolt.

Voor een pendelaar daarentegen is het helemaal anders; hij kent elk station, elk huis, elke boom. Zo mag ik gerust zeggen dat het landschap tussen Antwerpen en Brussel voor mij geen geheimen meer heeft.

Denkt U eraan, nu U gepensioneerd bent, uw „hobby” te blijven beoefenen?

Ik zal nog wel met de trein reizen. Toch zal het niet meer die ouwe vertrouwde trein van elke dag zijn. Op een andere trein dan de „mijne” zal ik mij misschien wel wat onwennig voelen.

Mijnheer Wouters, wij wensen U alleszins nog veel „treingenot” en danken U voor de waardering die U de spoormannen en hun bedrijf hebt willen betuigen.


Bron: Het Spoor, februari 1976