Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Paul Delvaux

Paul Delvaux

zondag 15 februari 2026, door Rixke

Paul Delvaux, als iemand van „Het Spoor” bij u op bezoek komt, is dat natuurlijk op de eerste plaats omdat u ongetwijfeld de bekendste Belgische schilder bent, maar ook omdat u in vele van uw doeken spoorwegthema’s afbeeldt. Vanwaar die passie voor de spoorwegen?

Ik weet het niet. De oorsprong van mijn belangstelling voor alles wat met de spoorwegen verband houdt, ligt in mijn kinderjaren. Toen ik ongeveer 8 of 10 jaar oud was, droomde ik ervan stationschef te worden te Ottignies. Kijk (hij staat recht, steekt het licht aan om een schilderij te tonen dat een stationsgebouw voorstelt), dat is het station Brussel-Leopoldswijk. Het is een doek dat ik geschilderd heb in 1922, meer dan vijftig jaar geleden dus. Mijn passie voor de spoorwegen gaat, zoals je ziet, vrij ver terug in het verleden.

Het is een passie die onze gilde tot eer strekt. U hebt evenwel nooit iets anders geschilderd dan stoomtreintjes. Waarom geen diesel- of elektrische treinen? Omdat ze op geen enkele wijze verbonden zijn met uw kinderjaren?

Mogelijk, maar vooral omdat ik in de oude treinen veel meer gevoel, veel meer menselijkheid ontdek dan in de moderne. Meer perfectie ook. De huidige locomotieven zijn beslist krachtiger en sneller: ze zijn de triomf van de techniek. Voor mij bezitten de oude treinen iets naiefs en eenvoudigs, dat hen ook meer menselijkheid schenkt. Ik vind een stoomlocomotief mooier dan een elektrische locomotief, ook al is deze laatste krachtiger en sneller en kan ze de helling van Ans opklimmen zonder een tweede machine die achteraan een beetje duwt. Ik vind een stoomtrein trouwens levendiger... Terloops gezegd, ik heb bijzonder veel genoegen beleefd aan Phil Dambly’s „Onvergetelijke stomers”. Hier heb je „ze”!

Stations, treinen, seinpalen, enz. boeien u dus nog altijd?

Inderdaad, een tiental jaren geleden heb ik talrijke stations geschilderd. Nu heb ik er opnieuw een geschilderd, omdat men het me gevraagd heeft, in het Casino van Chaudfontaine (een muurschildering). Het station Chaudfontaine heeft model gestaan. Eigenlijk heb ik doodgewoon de lijn, zoals ze er vijftig jaar geleden uit zag, gereconstrueerd.

Wat denkt u over het uitzicht van onze huidige stations?

Ik vind het jammer dat sommige oude stations, zoals dat van Bosvoorde, worden gesloopt en vervangen door tentoonstellingszalen zonder enige charme... Te Bosvoorde was er vroeger een enig mooie, ijzeren perronoverkapping. Dat is allemaal verdwenen. Wat dergelijke zaken betreft, ben ik wel een beetje vooringenomen. De nieuwe gebouwen zijn ongetwijfeld efficiënter en praktischer. Maar in plaats van het station te slopen, had men het ook kunnen opknappen. Het ging net zo met het vroegere, bijzonder mooie station Brussel-Zuid. Men heeft het afgebroken en vervangen door een logge, zielloze constructie.

Zou u wensen dat één van onze stations in hun oorspronkelijke toestand bewaard bleef?

Het station Bosvoorde was verrukkelijk, net als de stations Watermaal en Groenendaal...

Volgens u had men ze moeten behouden?

Beslist, ze opknappen in plaats van ze te vervangen door vormeloze gebouwen in „tentoonstellingsstijl”.

Zijn treinen voor u een symbool?

Neen, helemaal niet. Wat voor een symbool?

Ze zijn mooi

Ja, en dat alleen al boeit.

U hebt de treinen en trams zeer precies geschilderd. Er wordt zelfs beweerd dat u, uit het hoofd, door middel van tekeningen en schaalmodellen, de technische evolutie van de stadstrams – van de paardetram tot de huidige elektrische motorwagen – gereconstrueerd hebt, met alle wijzigingen die werden aangebracht aan assen, buffers, remmen, contactbeugels, en dat het Beheer van de Tramwegen er geen enkele fout in ontdekt heeft.

Geruime tijd heb ik inderdaad die Brusselse trams uit het hoofd getekend. Maar toen ik de documenten onder ogen kreeg, heb ik vastgesteld dat ik het toch beter had kunnen doen. Ik heb ook een doek met „economische spoorwegen” geschilderd. Maar dat heb ik verkocht.

Schildert u steeds uit het hoofd?

Neen, niet altijd.

Zonder model schilderen veronderstelt vermoedelijk een sterk ontwikkeld visueel geheugen?

Ja, maar voor het klassieke rijtuig, bijvoorbeeld, weet ik hoe de vering werkt. Als ik ze schilder, wens ik dat ze een getrouwe weergave is van de werkelijkheid. Daarentegen zou het schilderen van de wijze van ophanging van de moderne rijtuigen voor mij een onmogelijke opgave zijn. Vooral de draaistellen zijn ingewikkeld. Toch heb ik wel eens draaistellen geschilderd, maar dan op mijn manier. (Ondertussen expliceert Paul Delvaux me de werking van de vering, terwijl hij met zijn vingers op de tafel de tekening nabootst).

Is het voor u onmogelijk iets te schilderen dat u niet begrijpt?

Toch wel, maar dan, zoals ik reeds zei, op mijn manier.

Wij zijn spoormannen, maar dat betekent daarom nog niet dat wij de ogen sluiten voor alles wat er buiten de spoorwegen leeft. U hebt nog iets anders geschilderd dan treinen en spoorweginstallaties.

Vanzelfsprekend.

Zo onder meer raadselachtig mooie vrouwen, die met een vreemd afwezige blik naakt ronddwalen in een barokke en archaïsche wereld. Is het onbescheiden u te vragen waar ze vandaan komen?

Ik weet het niet. Ik heb altijd vrouwen geschilderd: ze zijn mooi, nietwaar? Ik schilder ze omdat ze mooi zijn. Natuurlijk schilder ik een vrouw niet zoals ik een trein schilder. De bedoeling is ook helemaal anders. Ik schilder de vrouw om haar schoonheid, om de sensuele zachtheid van haar huid, om de uitdrukking.

De blik van die vrouwen schijnt steeds gericht te zijn op een buitenaardse werkelijkheid. Is dit bewust gedaan?

Neen, dat maakt deel uit van de figuur die geen bepaalde uitdrukking moet hebben.

Kan het zijn dat deze vrouwen de gave hebben rond te dwalen zonder de alledaagse lelijkheid op te merken?

Laten we niet overdrijven. In een schilderij stelt een vrouw een vrouw voor en niets meer.

André Breton heeft in dit verband gezegd: „Delvaux maakt het universum tot het rijk van de vrouw, die heerst over de grote lanen van het hart, waar de oude molens van Vlaanderen een parelsnoer laten draaien in een glans van koraal”.

Ja, dat heeft Breton gezegd en het is ongetwijfeld erg aardig gezegd. Hij is een dichter en het is slechts een appreciatie.

En al deze keurig geklede heertjes met hun zwart jasje, bril en bolhoed, die tussen deze mooie vrouwen rondwandelen zonder ze te zien, wie zijn zij? Bekrompen bourgeois? Beotiërs? Mensen met weinig verheven esthetische opvattingen?

Ik meen niet dat je het zo ver moet gaan zoeken. Ik heb alleen een tegenstelling willen creëren tussen een bepaalde voorstelling en een bepaald personage dat, bij wijze van spreken, verloren loopt in deze voorstelling: een beetje tragisch verloren eigenlijk. Ik ken dat personage, ik heb het ontmoet in de straat, het lijkt wel een bankbediende. Toen heb ik het in mijn doeken afgebeeld.

Het is er dus niet om een gevoel van afkeer te concretiseren tegenover de functionele wereld waarin we meer en meer opgesloten worden?

Neen, daar heeft het niets mee te maken. Ik doe niet aan filosofie. Het is zoals ik je zeg: er is slechts een tegenstelling van beelden.

Maar kan men dat niet interpreteren ...

Ik verbied niemand mijn schilderijen volgens zijn smaak te interpreteren. Voor mij telt echter alleen het maken van een-schilderij.

En u plaatst de poëzie en de droom boven het leven en de realiteit?

De realiteit is voor mij een middel om de droom te ontdekken. Zonder realiteit zou er geen droom zijn. Iedereen heeft een houvast nodig. De droom is de realiteit die wordt omgezet in een andere realiteit: een geheel van reële vormen en voorwerpen die getransformeerd werden om een wereld te scheppen die verschilt van de realiteit.

Daar wou ik het nu juist over hebben: er bestaat een controverse in verband met uw schilderkunst. Sommigen beschouwen u als surrealist, anderen niet ...

Dat heeft niet het minste belang. Het heeft alleen te maken met de behoefte die critici hebben aan een classificatie.

Voor hun geruststelling?

Zeker, om hun werk te vereenvoudigen.

De naastelkaarplaatsing van een aantal zonderlinge, wellicht klassieke, doch disparate elementen die niet onder een gemeenschappelijke noemer kunnen worden gebracht, ligt nochtans in de lijn van het surrealisme?

Inderdaad, maar nu gebruik ik dat procédé niet meer. Ik houd het voortaan bij veel eenvoudiger middelen, en dat is veel moeilijker. Kijk – Paul Delvaux toont me een reproduktie van zijn werk „Het station in het bos” – hier heb je geen naastelkaarplaatsing van bizarre voorwerpen. Ik heb gewoonweg het station Bosvoorde in het midden van het bos geplaatst: omdat het werkelijk onmogelijk is daar een trein te gaan zoeken. Dat je die trein ook kan gebruiken, interesseerde me niet; wat me boeide, was zijn werking.

U hebt tot geen enkele surrealistische beweging behoord?

Neen, in principe niet.

En op Magritte na hebt u met geen enkele andere Belgisch surrealistische schilder contact gehad?

Neen.

Scutenaire?

Ja hoor, die ken ik goed.

Chavée?

Neen, ik ken hem alleen maar van naam en door zijn poëtische activiteit.

Marien?

Die ken ik evenmin.

Mesens?

Ja, die heb ik goed gekend, hij was een vriend van me. Hij is reeds overleden.

Bury?

Pol Bury? Neen, ik heb hem nooit ontmoet.

Eigenlijk is de oorsprong van uw inspiratie te vinden in uw jeugdjaren. Het zijn de dromen uit die periode welke opnieuw aan de oppervlakte komen.

Ja, altijd, maar veranderd, meer bezonken. Als je wilt, zou je het zo kunnen stellen. Maar dat kan de meest onverwachte vormen aannemen.

Denkt u dat dit geldt voor alle kunstenaars?

Ik denk van wel. Ik zie niet goed in hoe de kunst van een schilder van de ene dag op de andere zou kunnen ontstaan. Ik denk dat alle kunst het resultaat is van prille jeugdervaringen.

In uw doeken heerst vaak een bevreemdende sfeer. Is dat gewild?

Neen, het is het doek zelf dat me in die richting stuwt. Zo iets gebeurt natuurlijk niet in een keer, het gebeurt langzaam, maar uiteindelijk dringt het doek zijn wil op.

Eens dat men vertrouwd is met de kilheid van uw doeken, wordt men geconfronteerd met iets raadselachtigs, misschien zelfs met een zeker angstgevoel.

Misschien.

Is het angst of alleen maar een gevoel van onrust?

In mijn jeugd heb ik de angst gekend. Nou ja, ik weet niet of de sfeer van mijn doeken nu eigenlijk wel koud is...

Niet koud: kil. Men kan nauwelijks een gevoel van droefheid onderdrukken.

Ja, alles hangt natuurlijk af van je temperament.

Maar eigenlijk doe ik aan muggezifterij met al deze vragen. Een degelijk schilderij hoeft immers geen verklaring, het spreekt voor zichzelf.

Precies.

Ik veronderstel dat schilderen u gelukkig maakt?

Ja.

Maar wanneer ervaart u het meest intense geluksgevoel? Op het ogenblik dat de droom een vast omlijnde vorm aanneemt?

Dat gaat niet zo snel als je het wel eens denkt.

De hele tijd dat u er aan werkt of juist maar wanneer u uw handtekening op het doek plaatst?

Neen, op dat ogenblik zeker niet. Vooreerst ben ik dan moe en heb ik zolang aan het schilderij gewerkt dat ik het nooit goed vind. Er is dan meestal een lang compositiewerk aan vooraf gegaan en als het klaar is, ben ik er niet tevreden over. Later kom ik natuurlijk tot een meer evenwichtig oordeel, en dan lijkt het mij soms niet zo slecht meer... (Hij bekijkt opnieuw de reproduktie van „Het station in het bos” in het tijdschrift van de Spaanse spoorwegen dat ik voor hem heb meegebracht. Het schilderij werd averechts gereproduceerd). Ietwat geamuseerd zegt Delvaux: „Kijk, een schilderij doet het ook averechts...”

Het werk van grote kustenaars is niet tijdsgebonden. Het is algemeen bekend dat u bewonderaars telt in alle leeftijdscategorieën. Zelf ken ik heel wat jongeren die de schilderijen van Paul Delvaux bijzonder waarderen. Bent u gevoelig voor de waardering van de jongere generatie?

Ja, natuurlijk...

Is dat een garantie voor talent?

Neen, dat is het niet. Het is bemoedigend vast te stellen dat je gewaardeerd wordt door de jongere generatie. Het stelt je een beetje gerust. En het schenkt je tevens een gevoel van voldoening.

Een laatste vraag: maken de treinen nog steeds deel uit van uw universum?

Natuurlijk. Je hebt gezien dat ik voor mijn fresco te Chaudfontaine teruggegrepen heb naar de treinen.

Het doet goed dat te vernemen. Deze treinen hoeven gelukkig nergens op een bepaald tijdstip te vertrekken noch op tijd aan te komen: ze hebben de eeuwigheid voor zich.

De illustraties van de blz. 3 en 29 zijn genomen uit het boek „Delvaux”, dat onder leiding van Francis de Rulle werd samengesteld door Michel Butor, Jean Clair en Suzanne Houbart-Wilkin en verschenen is bij de uitgeverij Cosmos-Brussel.


Bron: Het Spoor, september 1975