Homepagina > Het Spoor > Bioskoop > Mei ’40, per trein

Mei ’40, per trein

Joost.

zaterdag 11 oktober 2025, door Rixke

Het is niet de eerste maal dat cineasten inspiratie zoeken en ook vinden in ’n trein. Zo hebben in „La béte humaine” van Jean Renoir, in „La bataille du rail”, in „De trein der traagheid” van André Delvaux, naar het gelijknamige verhaal van Johan Daisne, de locomotieven op het witte doek heel wat stoom afgeblazen.

Dit lijstje wordt nu aangevuld door Pierre Granier-De Ferre, die op zijn beurt door onze boemeltreintjes werd gefascineerd. Al moeten wij hier ter wille van de waarheid laten opmerken dat hij het scenario van zijn film gevonden heeft in een boek „Le train” van Simenon, waarvan verteld wordt dat elke bladzijde er, bij wijze van spreken, door de drijfstangen wordt gekeerd.

Het verhaal van de film die je in heel wat steden kunt gaan zien, speelt zich af tijdens de meidagen 1940.

Een lente en een zomer zoals er in een eeuw geen tien voorkomen. Een weertje dat schril afsteekt tegen de oorlogsgruwel die de mens ontketende. De tragedie speelt zich af onder een operettehemel. Toegang vrij: iedereen wil erbij zijn, iedereen staat op de eerste rij, om zo te zeggen op het podium. Onder een heerlijke zon heeft het Westen op overvolle wegen het hazenpad gekozen. Het is meer een vlucht uit de hel dan een tocht naar de hemel. Met hun leed en hun wanhoop zijn ze vertrokken, de gezinnen, en ook met hun matrassen, hun keukengerei, hun kippen, hun kanarievogel, hun kat, hun koffers... De enen te voet, de anderen per fiets, nog anderen met een handkar, een paarde- of ossewagen, en zelfs met een auto. De overigen, en er zijn er heel wat, met de trein.

Op de hielen van die ordeloze en paniekerige landverhuizers, het beste leger van ’t ogenblik: helmen, laarzen, pantsers, vliegtuigen, geweren en opeengeklemde kinnebakken onder meedogenloze gezichten. Aan de overzijde is er vrijwel geen sprake van een leger: wat er moet voor doorgaan is een troep soldaten die versuft en machteloos het gebeuren ondergaan, die de vluchtelingen met hun afwezige blik zien voorbijtrekken, die blijkbaar alle hoop hebben verloren. Dat is het wat Pierre Granier-De Ferre ons toont: alsof we er zelf bij waren. Wie te vergeefs het een of ander detail mocht zoeken, krijgt als compensatie een portie angst en gruwel (desnoods in de vorm van filmjournalen uit die tijd).

Het is die trein waarop de berooiden hun hoop hebben gevestigd, welke Granier-De Ferre ons heeft leren kennen, op een reisweg vol hinderlagen. Van de Belgische grens (nabij Sedan) loopt hij naar La Rochelle, met een rechthoekige bocht ter hoogte van Moulins (Allier). Waarom die kwartdraai? Nou ja, raadselachtiger kon het niet: de speling van het lot.

De film confronteert ons vooral met het leven in een goederenwagon waar, opeengepakt als haringen, de meest uiteenlopende menselijke specimens samenhokken: een radiohersteller, een jonge jodin, een deserteur, een publieke vrouw, een oudgediende van 14/18, een schurk, een ongehuwde moeder... Kortom, een zeer verscheiden en wellicht daarom zo schrijnend gezelschap waarin het egoïsme welig tiert. Maar dat zullen we dan maar op rekening schrijven van de oorlog die, net als een cholera, een dergelijk verschijnsel in de hand werkt en die, anderzijds, hoe paradoxaal het ook moge klinken, zoiets als een solidariteitsgevoel onder de slachtoffers kweekt. Alles hangt echter af van het ogenblik en van de omstandigheden. Zo wordt er gevochten om een plaatsje in de wagon, om te schitteren in de ogen van de mooie jodin terwijl er toch nog tijd en ruimte overblijven voor medelijden, een partijtje kaart, een geïmproviseerd stierengevecht... De uitersten raken ook hier elkaar, zodat het je niet hoeft te ergeren wanneer je ergens te velde, zoals dat toen heette, „Le soleil et la lune” van Charles Trenet hoort.

Alles bij mekaar (de bombardementen, het elk-voor-zich, de kleine lafheden, de gemene streken, de plunderingen) een niet zo fraaie boel. En toch zal er op die mesthoop een mooie bloem ontluiken; een kortstondige maar daarom niet minder vurige idylle tussen de mooie Israëliete en de rijzige elektricien. Een-idylle die, ongeacht de eigen opvatting die men over dat soort verhoudingen heeft, iets ontroerends, iets diepmenselijks vertoont, en dat ook gedurende negentig minuten volhoudt.

Vooreerst, omdat de sfeer getrouw werd weergegeven. Vervolgens, omdat de hoofdpersonen hun rol behoorlijk vertolken, d.w.z. met talent en soberheid! Er wordt niet gechargeerd. Het paar Trintignant-Schneider doet het zo precies als werden ze door de een of ander verborgen camera bespied. Romy Schneider hoeft alleen maar te woekeren met haar schoonheid. Régine, die haar eer meer dan eens moet vergooien, doet zulks met een natuurlijkheid die haar optreden minder schokkend maakt. Zelfs een flink ingetoomde Biraud moppert en gekscheert volgens de regels van de kunst.

Beroepscritici zijn doorgaans niet zo mals geweest voor „Le train”. Ze verwijten hem heel wat schoonheids-en andere fouten waarover ons ongeoefend oog helemaal niet gestruikeld is. Toch moet het ons van het hart dat wij ons even hebben geërgerd aan de inlassing van filmsequenties uit het oorlogsarchief en dat wij, die in mei ’40 niet op de vlucht zijn gegaan, een ander beeld hadden van deze odyssee.

Afgezien daarvan heeft de film voor een spoorman toch wel een bijzondere aantrekkingskracht. Hij werd immers gedraaid in een omgeving waarmee hij vertrouwd is. Het gebeuren speelt zich af in Frankrijk, maar het zijn toch zijn treinen, zijn rijtuigen, zijn wagens, zijn sporen, zijn rangeerstations (en andere), zijn stationschefs, zijn machinisten, stokers en hoofd-wachters, zijn wegwachtershuisjes... Alles is er levensecht, tot zelfs de foutjes die Granier-De Ferre maakte en die de spoorman hem welwillend zal vergeven. Zijn collega’s en zijn werkinstrument werden correct en met veel liefde behandeld. Bij ’t begin van de film zie je in close-up een wissel op ’t ogenblik van de koppeling, wanneer de wisselstraat de weg naar de hoop vrijmaakt. Een pakkend symbool, want men vergeet al te vaak wat de trein voor miljoenen mensen tijdens deze oeverloze paniek heeft betekend. Men heeft gesproken over doden, over gewonden, maar men zwijgt doorgaans over hen die in diezelfde trein de concretisering van hun hoop en hun vrijheid zagen. De film zegt het zonder omwegen. En met tederheid. Bovendien beleefden velen op deze exodus als het ware hun „eerste vakantie”. Ontegensprekelijk een subjectieve factor, maar alleszins een factor die een verleden kan louteren en een herinnering kan sublimeren. Vooral als de cineast handig gebruik weet te maken van de beschikbare ingrediënten en de charme van een mooie streek oordeelkundig exploiteert. Een niet geringe verdienste van deze film lijkt ons daarbij het wisselende kleurenspel van blauw en melkachtig wit, dat wel een schilderij van Paul Delvaux kon zijn.

„Le train” werd gedraaid naar wat sommigen een van de beste Simenon-romans noemen. Het is derhalve een verleidelijk spelletje beide te vergelijken. Voor ons niet gelaten. Wij hebben de film zonder vooroordeel gezien en herinnerden ons, toen we de bioscoopzaal verlieten, hoe pijnlijk het contrast tussen de heerlijke lente en het beginnende oorlogsgeweld ons destijds griefde. Ook dat is een facet van een, zij het dan ook ongecompliceerde film waarin een waanzinnige oorlog geprojecteerd wordt tegen de achtergrond van een zonnige natuur.


Bron: Het Spoor, mei 1974