Homepagina > Het Spoor > Bioskoop > Een ongewone trein

Een ongewone trein

zondag 5 oktober 2025, door Rixke

In ons nummer van oktober ’72 hebben wij gesproken over de „Forum”, een tentoonstellingstrein van de SNCF. Voor wie niet zo’n sterk geheugen heeft, willen we er even aan herinneren dat de „Forum” samengesteld is uit rijtuigen die speciaal werden ontworpen voor reizende tentoonstellingen door Frankrijk, en zelfs daarbuiten. De trein wordt verhuurd aan ondernemingen en verenigingen die hem wensen te gebruiken om hun commerciële of andere acties te ontwikkelen: wedstrijden, uitreiking van documenten of monsters, demonstraties, proeven van gerechten of dranken, modeshows. Een onthaalrijtuig met bar biedt tevens de mogelijkheid cocktailpartijtjes te organiseren.

Dit alles om even je geheugen op te frissen!

En vermits wij het weten, is er geen reden waarom de Franse cineast Jean Yanne het niet zou weten. Niet zo vreemd dus dat hij de „Forum” gehuurd heeft om zijn film „Les Chinois à Paris” in de grote steden van Frankrijk en... elders in België voor te stellen. Met die fijngevoeligheid, welke alle rechtgeaarde humoristen kenmerkt, stond Jean Yanne erop zijn rondreis bij ons te beginnen. Op 5 maart ’74, na een kortstondige hoffelijkheidshalte, verliet de „Forum” Rijsel om als SPE 650 naar Brussel te sporen. Via een omwegje nochtans, vermits het te Quévy was dat we Jean Yanne en zijn gevolg zijn gaan begroeten. Waarna het konvooi onverwijld naar de hoofdstad bolde. Het was 14 uur: aan boord zat iedereen in ’t restaurant.

We hebben een stukje gegeten, gezellig keuvelend met de journalisten van de BRT, terwijl een camera van zwaar kaliber Jean Yanne vereeuwigde toen hij blijkbaar genoot van een lekker hapje. Dan nam de cameraman op zijn beurt plaats aan tafel, ook al zou hij daarna, tussen twee gangen in, moeten opstaan om enkele „tussenbeelden” te filmen: een door een kelner voortgetrokken dientafeltje, Yanne die een sigaar opsteekt, Yanne die de kaas aansnijdt, Yanne die een glaasje rode proeft...

Bij de koffie werden wij „in audiëntie ontvangen”. Terwijl camera en registreertoestel hun gezoem staakten, kregen we ruimschoots de gelegenheid om ons met Jean Yanne te onderhouden. Geen vraaggesprek, maar een gezellig en in elk opzicht boeiend praatje. Vanzelfsprekend ging het vooral over zijn film, ofschoon we hem niet hadden gezien, en met reden: de première zou slechts ’s avonds gaan. De film heeft zoals je wellicht weet, al heel wat inkt doen vloeien, en van bij de eerste vertoning heel wat hartstochten doen oplaaien. Jean Yanne gaf ons zijn visie, zijn bedoelingen, sprak over Montesquieu, Molière, over de slechte Fransen en de andere. Maar geen woord daarover want dat wordt ons niet gevraagd. Bovendien gaan volwassen kijkers liefst zelf op ontdekkingstocht... Toch willen we hier verklappen dat een Duitse journalist Jean Yanne toevertrouwde dat zijn film de eerste Franse vaderlandslievende prent is. Van moppen gesproken!

Daarop hebben we ingehaakt:

-* U hebt de draak gestoken met de kringen van radio en TV, met baantjesjagers, verdachte zaakjes, met mythen die in zijn, zoals Jesus-Christ superstar, enz. Waarom maakt U geen film over de kringen van de cinema? U bent daarvoor uitstekend geplaatst, meen ik.

Akkoord, ik ben goed geplaatst. Maar voor een goed begrip zou men twee films moeten maken: een inleidende film van dertig minuten om dat milieu voor te stellen aan het Franse publiek dat er niets van af weet...

-* Een soort documentair...

Precies, en dan een film van anderhalf uur die een satire zou zijn. In Frankrijk zijn de mensen weinig vertrouwd met de problemen: daarom heeft bij ons, bijvoorbeeld, een liedjeszanger die wil uitvaren tegen wie ook, ministers, regeringen... steeds een „inleiding” nodig. In Amerika, waar ik vaak vertoefd heb, en waar de geschreven, gezongen of gefilmde satire erg striemend is, valt men, bij wijze van spreken, dadelijk met de deur in huis. De Amerikanen weten wat Nixon heeft gezegd, wat Watergate betekent...

-* In zijn laatste boek „Cinoche”, schrijft Alphonse Boudard:„Alles wel beschouwd ondervindt men meer vriendelijkheid, rechtschapenheid, innemendheid, genegenheid in welke centrale gevangenis ook te Clairvaux Poissy... dan in de wereld van de Zevende Kunst.”

Boudard heeft volkomen gelijk. Dat komt omdat de cinema helemaal niet in handen is van vaklui. Neem de textiel, een industrie waar de patroons, zelfs de rijke, hun vak kennen. Het is mogelijk dat men hun heel wat kan verwijten: dat ze hun werklieden slecht betalen, dat zij ze niet menselijk behandelen... maar ze kennen hun vak. Wat ook waar is voor de meubelindustrie: ze kennen het werk. In het filmbedrijf staat geen enkel vakman aan ’t hoofd.

-* Met uw goedvinden zouden we nu willen overgaan tot een punt dat de spoormannen zou moeten interesseren. Waarom koos U de „Forum” om uw film voor te stellen?

Omdat het een flop werd telkens als we een film gingen voorstellen. Kijk, we dienden vier à vijf belangrijke steden aan te doen: bijv. Bordeaux, Marseille, Rijsel, Lyon. We namen het vliegtuig: naar het vliegveld, de vliegtijd, in ijltempo van het vliegveld naar het bioscoopgebouw; dan ’s anderendaags opnieuw beginnen in omgekeerde richting. Kortom, dat betekende ten minste twee dagen voor elke stad. Na aldus een week te hebben rondgetold, waren we bekaf. Daarbij kwam nog dat we praktisch niet net minste contact hadden met mensen van het vak, van de filmwereld, van de pers. Met de auto is het gewoon niet te doen: we zouden er 18 tot 20 nodig hebben. Met deze trein bezoeken we in 10 dagen 25 grote steden; we gaan 25 contacten hebben met mensen die we daarvoor inviteren. Het is gewoon fantastisch.

-* Een tijdwinst, dus...

Ja, en tevens minder vermoeiend. En we ontmoeten de mensen die we willen ontmoeten.

-* En het comfort!

U zegt het wel. Hier kunnen we ons ontspannen. We hebben net geluncht. Al etend hebben we een TV-uitzending gemaakt, we hebben gebabbeld. Nu praten we wat bij ’n koffie. Vannacht, na de voorstelling, zullen we slapen terwijl de trein ons wegbrengt. Dat lijkt me nog al uitzonderlijk. Overigens is het terzelfder tijd een lonende reclamestunt: zo weet men ten minste dat je bestaat.

-* Komt de idee van de „Forum” van U?

Ja, ik ben er steeds van overtuigd geweest dat zulks in elk opzicht rendabel zou zijn.

-* U houdt van de trein?

Even een glimlach en een ondeugende blik...

Nee maar... natuurlijk. Bij ’t begin van mijn carrière heb ik vaak de trein genomen, om mijn beeldverhalen naar mijn uitgever in Doornik te brengen. Ik vind de trein prettig. Je ziet het landschap en een hele boel mensen. Daarbij ben je met zijn allen samen, in ploegverband. Heel alleen is het misschien vervelender. Maar in een coupé vind je altijd wel iemand die wat kwijt wil...

-* Met hoevelen bent U in de „Forum”?

Met z’n tienen denk ik. Morgen worden er dat wellicht twaalf, vijftien, twintig: bij elke pleisterplaats komen er kameraden bij... Vervelen doen we ons niet. En daarbij, alles verloopt vlot en vlug.

’n bezoekje aan de „forum”

Wanneer we Jean Yanne bedanken zien we in de hemel van Brussel reeds de rijzige silhouet van het Paleis van Justitie opdoemen.

Hier was het dat de zaken in het honderd dreigden te lopen.

De inneming van de Kemmelberg geeft een onvolledig en, eerlijk gezegd, mager beeld van de bestorming die de „Forum” in het Brusselse Zuidstation te doorstaan had. De „belegeraars”, die hier van overal kwamen, hadden nog al wat meer branle: ze zwaaiden met camera’s, magnetofoons, fotoapparaten (met flitslamp), viltstiffen en bestookten de „vesting” bovendien met geniepige vragen. Hoe we het er, na 3 of 4 van die aanvalsgolven, levend afgebracht hebben zal voor ons steeds een raadsel blijven.

Na dit hachelijk avontuurtje liepen we op de heer Yvon Hurugen, in feite de heer en meester aan boord (Jean Yanne is slechts huurder) en vertegenwoordiger van het Secrétariat Général de la Publicité SNCF, die ons hoffelik voorstelde de trein te gaan bezichtigen. En vermits Jean Yanne zich toch dapper uit de slag trok, verlieten we, zonder enige wroeging en met onze gids, het belegerde onthaalrijtuig, het bestormde barrijtuig, het bezette receptiesalon. En zo trokken we dan naar het restaurant waar de frieten heerlijk geurden, naar de slaaprijtuigen waar we ons wat graag hadden neergevleid om al slapend te dromen van verre reizen, naar de twee andere rijtuigen waar we bewonderend bleven stilstaan bij hun couchettes, stortbaden, televisietoestellen, telefoons. Onze tocht eindigde in een panoramisch salon zoals er nu wel geen meer worden gemaakt. Een namiddag die je in zeker opzicht wel historisch zou kunnen noemen.


Bron: Het Spoor, april 1974