Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Toen de sporen gloeiden van angst (IX)
Toen de sporen gloeiden van angst (IX)
Joseph Delmelle. Geïllustreerd door Guy Bosquet.
vrijdag 6 december 2024, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Mei: radio Londen geeft zijn luisteraars de verzekering dat de tijd nakend is... De bombardementen worden intensief voortgezet. Elke dag, elke nacht, brommen de vliegtuigen in de lucht. Het wachten is tegelijk koortsachtig en angstaanjagend. Niemand weet precies wat er gaat gebeuren. Men hoopt alles, maar men vreest het ergste! De door de B.B.C. uitgezonden boodschappen zitten vol geheimzinnigheid. Wat betekenen toch die korte, kernachtige zinnen: „Vanavond zal de kanarievogel niet zingen”, „Sabine heeft zo pas de mazelen gekregen”, „Andromache mag haar tonden poetsen”, „De schaduw spreidt zich uit over het meer”, „De oorlog van Troje zal niet plaats hebben”, „De divan staat midden in het salon”, „De boomkikvors zingt vals”, „De trein zal driemaal fluiten”, „De zon zal nog opkomen”, „De giraf draagt geen boord”...?
Juni: ditmaal is het beslissend ogenblik aangebroken. De geallieerden zijn in groten getale ontscheept op de Normandische kust. De elektrische stroom wordt vaak onderbroken. De oude kristalontvangers worden weer bovengehaald. Het spoorwegverkeer loopt volledig in het honderd. De spoormannen staan op de bres. Ik heb het reeds gezegd: België wordt door de Duitsers beschouwd als een vrijwel onoverkomelijke zone. Een in Zeeland gestationeerde pantserdivisie moet een omweg maken langs de Rijnvallei om het „hete” front in Normandië te bereiken. Door die lange omweg blijven de Duitse verdedigers van de Atlantische kust verstoken van de kostbare steun van enkele tientallen pantserwagens... die wellicht de situatie hadden kunnen rechtzetten!
De geallieerde doorbraak verloopt moeilijk, ja zelfs pijnlijk. Intussen blijven de Amerikaanse en Engelse vliegtuigen boven bezet België opereren. Meestal zijn het de spoorwegen die als doelwit uitgekozen worden.
De tijd gaat voorbij. Juli, augustus, september! De geallieerden naderen. Zij die gedurende de oorlogsjaren met de vijand heulden, worden door paniek aangegrepen. In een of andere kleine stad maken ze zich meester van de vrachtwagens van de vuilnisdienst en pakken hun biezen. Naar het zeggen van de bezetter zijn er overal „terroristen”. Overal, inderdaad worden de Duitsers tegengehouden, aangevallen door groepen gewapende weerstanders. Aan de overweg te N wordt een partizaan gedood. Een andere waagt zijn leven om op het nippertje de lont weg te nemen die het station V moet opblazen. Vier grote granaten vernielen volledig de telefooncentrale te S. Zowat overal steekt de Weerstand de bevrijdingslegers een stevig handje toe. De Duitsers zitten tussen twee vuren. Ze vallen in hinderlagen. Men belet hen talrijke bruggen te doen springen...
De 4e september ben ik te T. Men vertelt dat de geallieerden naderen. Ik spoed me naar de brug die te T over de rivier loopt. Het is een dubbele brug: weg en spoor. Als de Duitsers ze vernielen, zullen de geallieerden hier een hele tijd opgehouden worden.
Wanneer ik bij de bewuste brug aankom, stel ik vast dat twee van mijn kameraden reeds op de zuidkant hebben post gevat. Ze zijn gewapend: elk een geweer en enkele granaten. Wat mij betreft, ik heb mijn pistool, een flinke voorraad patronen en ook enkele granaten. Op de noordelijke oever treffen vijf Duitsers blijkbaar voorbereidselen om de brug in de lucht te laten springen. Ik raad mijn twee kameraden aan zich niet te tonen en te wachten tot de Duitsers met de uitvoering van hun project beginnen. We mogen ons niet veroorloven onze munitie te verspillen.
Twee van de Duitsers die dynamietpatronen aanbrengen, naderen de brug. Een derde is lonten aan het afwinden. Een van mijn gezellen richt zich een beetje op en schiet, iets te vroeg, iets te onbesuisd. De Duitsers zijn verrast. Ze reageren onmiddellijk. Ik hoor een gereutel. Onze kameraad die geschoten heeft, zijgt neer, getroffen door een kogel in de rechterwang, drie centimeter onder het oog. Het bloed vloeit uit de wonde, gulpend, als uit een fontein. Er is niets meer aan te doen. Ik grijp zijn geweer, ren naar een nabijgelegen kolenveld. Mijn andere gezel blijft ter plaatse, de vinger aan de trekker, onbeweeglijk. Hij heeft begrepen dat er voor ’t ogenblik niets anders gedaan kan worden dan wachten tot de Duitsers zich blootgeven. Ze weten niet dat we nog slechts met twee zijn... Even later ontdek ik een andere gezel, verscholen achter een elektriciteitscabine: een van mijn twee spoormannen uit het station. Zonder me op te richten, tracht ik hem al roepend te doen begrijpen dat hij zich, indien mogelijk, naar de andere zijde van het veld moet begeven, naar rechts. Gelukkig heeft hij het gesnapt! Wanneer hij zijn plaats zal hebben ingenomen, openen wij het vuur... De Duitsers blijven ter plaatse, zonder te bewegen. Ze werpen een granaat in de richting van de brug, dan een tweede. De projectielen richten haast geen schade aan. Daar de Duitsers oordelen dat dit wel volstaat, houden ze er, een voor een, mee op. Ik slaag erin een van hen te treffen. De brug is onaangetast. Ik blijf met mijn kameraden de wacht houden. De Duitsers komen niet meer terug. Drie uur later bereikt een Engelse tank de oprit van de brug. We mogen ons oprichten. De tijd van de slavernij is ten einde.
In de verte trekken de Duitsers in massa af in de richting van hun land. Oudgedienden en jonge soldaten druipen af, te voet, per fiets, met onooglijke karretjes, op oude, hijgende vrachtwagens, langs de wegen van de nederlaag. De treinen weigeren hun de hulp om sneller te vluchten. De spoormannen doen hun best om hen in de war te brengen, om hen te verplichten halt te houden. De oorlog wijkt van onze haardsteden. Het Duitse leger is volledig uiteengeslagen...
En toch is de oorlog niet gedaan. We zullen nog af te rekenen hebben met de V1 en de V2: grote stoffelijke schade, talrijke gebroken ruiten, afgerukte daken... Een van die schrikwekkende tuigen valt te Brussel aan de ingang van een tunnel, op de ingegraven en ondergrondse verbinding tussen Schaarbeek en Leopoldswijk.
We zullen ook nog het wanhopige offensief van december in de winterse Ardennen meemaken. Dagenlang zal de toestand onrustwekkend blijven. De Duitsers, die zich hervat hebben, leveren het bewijs van een merkwaardige offensieve kracht.
Vrede aan de mensen van goede wil! Toch zal Kerstmis in een beklemmende afwachting voorbijgaan. Enkele dagen later worden de Duitsers tot terugtrekken gedwongen...
Dan reeds zullen de treinen opnieuw rijden, want het net werd, zo goed en zo kwaad als het ging, reeds grotendeels gerestaureerd. Bezield met dezelfde krachtige wil om de treinen opnieuw precies op tijd te laten rijden, verrichten de spoormannen werkelijk wonderen. Overal, in de stations, de werkplaatsen, de depots, zal men de trillende en reeds triomferende stem horen van het stoere werk der spoorwegen, het vurige gevoel van de machines, de opeenvolgende schokken van heuvelende wagens, het gedender van de wielen op de rails...
XI
Grote droefheid: Sylvie is dood... en ik hield van haar, hoewel ik het niet wilde, hoewel zij het niet wilde. De liefde is een gevoel dat je nooit moet trachten te rechtvaardigen. Het is een zaadje dat verspreid wordt door de wind en dat, wanneer het in het hart valt, ontkiemt, en er wortel schiet, zonder zich af te vragen of dat hart gelukkig dan wel ongelukkig maken zal. Ik hield van Sylvie... Gearresteerd toen ze haar woning verliet, werd ze, gedurende twintig dagen opgesloten te Charleroi; ze werd gefolterd maar heeft geen woord gezegd, in tegenstelling met vele anderen die niet bestand waren tegen de pijnigingen en de afmatting. Geknakt door de mishandelingen en de ontbering, overleed ze, op 14 augustus 1944, in het concentratiekamp van Brandenburg, toen de bevrijdingslegers reeds oprukten. Ze heeft prachtig werk geleverd om die bevrijding mogelijk te maken. Ze heeft die stralende, zo lang verbeide dageraad niet mogen beleven. Sylvie is dood. Ik denk aan dat kleine vrouwtje. Tranen wellen in mijn ogen. Mijn hart is gebroken...
Een grote droefheid die een grote vreugde versombert: de oorlog is voorbij, de vrede is teruggekeerd... en ik heb dienst genomen bij de spoorwegen, in de werkplaatsen. Ik was dat wel aan de spoorweg verschuldigd, ik die vier jaar lang tegen hem heb gewerkt, of beter gezegd, tegen de Duitsers die zich van hem bedienden om het land onder hun strenge heerschappij te houden, onder het drukkend gewicht van hun grove laarzen en hun benagelde schoenen...
De vrede is teruggekeerd, maar tijdens de oorlogsjaren heeft het net veel te lijden gehad. Het werd gesaboteerd, ’t ondersteboven gekeerd, ontwricht. Bruggen werden vernield. Stations werden gebombardeerd. Onder de vernielende werking van dynamiet werden spoorstaven verwrongen als een doodgewone ijzerdraad. Locomotieven werden letterlijk doorzeefd. Heel het stelsel werd overhoop gegooid om te beletten dat de vijand het voor zijn overheersersdoeleinden zou gebruiken...
De vrede is teruggekeerd. Thans moet alles weer in orde gebracht worden. Alles moet gerepareerd, gerestaureerd, heropgebouwd, vernieuwd worden, rekening houdend met de vooruitgang die sedert vijf jaar in alle technieken geboekt werd.
Sedert 1926, het jaar waarin de Staat aan de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen het recht heeft afgestaan zijn net te exploiteren voor een termijn van vijfenzeventig jaar, werden reeds heel wat verbeteringen tot stand gebracht. Dat werk moet opnieuw ter hand genomen, voortgezet, verder uitgebouwd worden.
Bron: Het Spoor, september 1969
Rixke Rail’s Archives
