Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Toen de sporen gloeiden van angst (VI)
Toen de sporen gloeiden van angst (VI)
Joseph Delmelle. Geïllustreerd door Guy Bosquet.
vrijdag 15 november 2024, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Buiten is het nacht. Een stikdonkere, angstaanjagende, vijandige nacht! Geen enkel lichtje! De verduistering is onberispelijk! Uit een keldergat stijgt een geur op van verzuurde soep. Er waait een kille bries. Waar moet ik naartoe? Was hier ergens maar een klooster zoals dat waar ik zo gul ontvangen werd! Ik moet absoluut een schuilplaats vinden, want anders wordt ik misschien gearresteerd, opgesloten, wie weet waarheen gedeporteerd, ondanks mijn uiterlijk, waarin geen onraad te bespeuren valt, en mijn degelijke identiteitspapieren! Plots herinner ik me dat er in deze omgeving een braakgrond ligt met, naast de puntgevel van een huis, een hoop puin. Een weinig later ben ik ter plaatse. Daar zal ik dus, gehurkt, stram, het einde afwachten van die ondraaglijk lange nacht, waarvan de stilte soms zal worden onderbroken door het gebrom van vliegtuigen, door benagelde stappen van soldaten op de straatstenen... Ik hou me zo stil mogelijk, vooral wanneer ik een ongewoon geluid opvang. Mijn hele lichaam doet pijn. Ik ga een paar keer overeind staan, kwestie van de bloedcirculatie te herstellen die door de gehurkte houding geremd wordt. Op een bepaald ogenblik raakt er ergens, tot mijn grote ontzetting, een steen los uit de hoop puin, rolt naar beneden en komt terecht op een stuk plaatijzer. Het klinkt als een gongslag. Gelukkig is er niemand in de omgeving, behalve dan een hond die enkele malen blaft en dan ophoudt.
Ik wacht tot het dag wordt. Ik hoor vliegtuigen voorbijtrekken. Ik hoor benagelde laarzen naderen en weer verdwijnen. Ik hoor een steen rollen en ergens op een stuk plaatijzer vallen. Ik hoor een hond blaffen. Ik hoor hoe nachtvogels met elkaar spreken. De nacht is gevuld met kreten, kleine geluiden die de grote, wijdse stilte nog indrukwekkender maken. De bestaande dingen hebben een geheim leven dat in de stille duisternis als ’t ware een mysterieuze gestalte krijgt. Ik hoor een trein rijden, en dat gerij lokt me enigszins uit mijn toestand van versuffing. Waar rijdt hij naartoe? Van waar komt hij? Daar hij ’s nachts rijdt, rijdt hij voor de Duitsers. Wat vervoert hij? Troepen of materieel? Hij vertraagt. Gaat hij stoppen? Ja, waarschijnlijk, want ik herinner me nog dat er op die plaats een fabriek staat die op volle toeren draait voor de Duitse luchtmacht. Ik heb haar juiste ligging, langs de spoorlijn, opgegeven in een van mijn rapporten aan „Tchan-tchet”...
Ik wacht tot het dag wordt. Nu is het zo ver, de nacht wijkt langzaam voor het schuchtere licht. Is dit het ogenblik om mijn schuilplaats te verlaten? Ware het niet beter te wachten tot de eerste arbeiders van de ochtendploegen voorbijkomen? Ware het niet beter me onder hun vage groepen te mengen of hun op afstand te volgen als een telaatkomer? Ik wacht tot het dag wordt.
En ik zit er nog altijd wanneer in de lucht het zoemend geluid van de vliegtuigen aanzwelt. De sirenen loeien angstwekkend. Het geraas neemt nog toe. Ik heb de fabriek gesignaleerd als militair doelwit. Misschien komen de vliegtuigen ze bombarderen. Ik wacht tot het dag wordt. De vliegtuigen keren terug van een raid boven de Ruhr. Deze morgen zullen ze hun bommen niet afwerpen op de fabriek om de eenvoudige reden dat ze er geen meer hebben... Maar ze zullen acht dagen later komen, in volle dag, en de fabriek zal worden gebombardeerd met een zeldzame doeltreffendheid. De spoorweg, die eveneens op mijn grondplan vermeld staat, zal de volle lading krijgen. De uit de ballast losgerukte spoorstaven zullen, met hun dwarsliggers, kaarsrecht ten hemel reiken als een reusachtige ladder, als de ladder van Jacob, waarover in de Bijbel gesproken wordt... Ik zal het schouwspel gaan bekijken. De fabriek is vernietigd. Ze is nog slechts een vormeloze puinhoop. Op een opstelspoor hangt een wagen gedeeltelijk over een locomotief. Andere wagens zijn letterlijk in elkaar geschoven. De wagenbakken zijn ontwricht. Het is alsof ze met enorme kracht op elkaar gebotst zijn. Weer eens een knip in het spinneweb van het spoorwegnet!
Andere bombardementen zullen plaats grijpen in het parallelepipedum waar ik mijn jachtterrein heb: een metalen spoorwegbrug zal worden gehalveerd alsof het met een snijbrander gebeurd was; de firma D die de herstellingen van de Duitse vrachtwagens uitvoert, zal een harde klap krijgen; tussen twee dorpen, ginds, niet ver van het kanaal, zal een bom, vlak naast het spoor, een grote trechter van ongeveer drie meter graven, kort vóór de aankomst van een trein, beladen met koperschroot dat ongetwijfeld bestemd is voor een munitiefabriek, waarschijnlijk die te L... Een overwegwachteres zal naar buiten rennen om de trein te waarschuwen. De machinist zal haar wanhopige gebaren zien, maar te laat. Het gevaarte zal omkantelen met hels gekraak, de wagens zullen over elkaar schuiven en het schroot zal in alle richtingen rondgestrooid worden, op de bermen van het spoor en zelfs nog heel wat verder... Ik zal weten dat mijn inlichtingen tot iets gediend hebben: een andere knip in het Duitse spinneweb!
Zo gaan de dagen voorbij. Ik heb moeilijkheden met één van mijn twee agenten uit T die een kleine diefstal pleegde – enkele meters koperdraad – en die op heterdaad betrapt werd. Hij vraagt me om te bemiddelen. De onderstationschef is onvermurwbaar. De chef zelf, die ik minder goed ken, maar aan wie ik de toestand uitleg, erop drukkend dat indien de bediende schuld had – wat niet te loochenen valt – men toch dient te begrijpen dat het lastig leven is... dat hij die nog wat anders wil eten dan wat de ravitaiIlering biedt, geld nodig heeft, de chef, dus, toont meer begrip. En uiteindelijk komt alles voor mekaar. Overigens zou het de chef verdroten hebben drastisch te moeten optreden tegen zijn ondergeschikte, daar deze voordien nooit een tuchtmaatregel opgelopen had en, derhalve, een blanco strafregister had... De oorlog, de ellende, de honger verklaren en rechtvaardigen heel wat misstappen. Laten wij het voorval dus vergeten!...
Zo gaan de dagen voorbij. De oorlog gaat verder. Zal er ooit een einde aan komen?
VIII
De oorlog wordt verwenst, vervloekt, maar blijft duren. Na hun bliksemsnelle opmars worden de Duitsers gestuit door de grote plas Vertwijfeld vragen ze zich af: wat nu. Ze hebben zich georganiseerd als gold het een beleg, met om dat beleg te slaan, maar als troepen die dat beleg onvermijdelijk zelf moeten ondergaan. Om de tijd te doden, hebben ze sedertdien enkele nieuwe fronten geopend. En ze hebben zich nieuwe tegenstrevers op de hals gehaald!
Hier, in het bezette gebied, evolueert de toestand in ongunstige zin, m.a.w. hij wordt steeds slechter. Lege magen zijn een veel voorkomend verschijnsel; de honger is voor vele mensen inderdaad een trouwe levensgezel geworden. Ontberingen, controles, huiszoekingen, arrestaties, deportaties, vergeldingsacties: men leeft onder de druk van duizend en een bedreigingen. Verdenking, angst, vrees en berusting maken sedert zo lang reeds deel uit van de gebruikelijke gemoedsstemming, dat iedereen het abnormale normaal gaat vinden. Wellicht valt het de mens zwaar om dadelijk in zijn noodlot te berusten. Maar mettertijd weet hij er zich wonderwel naar te schikken en verwerkt hij ongemak en wisselvalligheid zo goed en zo kwaad als het gaat in zijn dagelijks bestaan.
Saint-Exupéry heeft eens gezegd: „Niemand kan zich tegelijkertijd verantwoordelijk en wanhopig voelen”. Indien mannen voortstrijden in de schaduw, in het geheim, gebeurt zulks omdat ze zin hebben voor verantwoordelijkheid. En ze zouden die strijd niet voortzetten indien ze zich niet gesterkt voelden door een grote hoop. Een hoop die bij velen vervlogen is, een hoop die tegen elke prijs bestendig opnieuw moet worden gevoed!
Alles is niet verloren! Heel wat weerstanders werden ontdekt, gearresteerd, gefusilleerd, weggevoerd naar concentratiekampen. De Duitsers weten thans maar al te wel dat er een weerstand bestaat die steeds beter georganiseerd is, die steeds doeltreffender wordt En de mensen in Londen weten dit evenzeer.
„Tchantchet” komt me opzoeken. Dat kleine vrouwtje schijnt alleen maar onbeholpen, in werkelijkheid heeft ze echter een flink stel hersens en is ze perfect op de hoogte van wat er omgaat.
– Londen, zegt ze, heeft zo pas het bestaan erkend van een uitgestrekte weerstandsbeweging in het land en heeft aan de grote leiders onderrichtingen gezonden met het doel de actie van de verschillende groepen te coördineren. Deze onderrichtingen vermelden o.a.: „De regering meent dat er bij dit organisatiewerk moet worden gestreefd naar werkelijke doelmatigheid en geheimhouding, naar kwaliteit en niet naar kwantiteit... Maar in dat memorandum staat er iets dat speciaal voor ons bedoeld is en dat ons in het gelijk stelt. Er moet vooral gestreefd worden, aldus de in codeschrift opgestelde boodschap die op het hoofdkwartier toekwam, naar de vernietiging van kunstwerken, verkeersknooppunten, opslagplaatsen, enz..., om aldus de grootst mogelijke verwarring te veroorzaken in de achterste linies van de vijand en de ravitaillering van zijn vuurlinie te bemoeilijken...”
Zonder het te weten hebben de leiders uit Londen aldus hun goedkeuring gehecht aan de ideeën van W. G. en het werk van C. L. en van zijn groep uit het Doornikse, aan mijn persoonlijke actie en die van mijn onbekende gezellen en „medeplichtigen”. Ik bekijk „Tchantchet” glimlachend. Heus, ze is niet onaardig, dat kleine vrouwtje. Maar het is nu geen tijd voor idylles.
Bron: Het Spoor, juni 1969
Rixke Rail’s Archives
