Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Toen de sporen gloeiden van angst (V)

Toen de sporen gloeiden van angst (V)

Joseph Delmelle. Geïllustreerd door Guy Bosquet.

zaterdag 9 november 2024, door Rixke

Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]

De treinen rijden. Weliswaar zijn er vele die door Duitsers bestuurd worden. De treinen doorkruisen het Hitleriaanse Europa, van de voet van Italië naar de oevers van de Weichsel, van de havens van de Baltische Zee naar de Atlantische kusten en van de Middellandse naar de Zwarte Zee. Duitsland zwaait de scepter over een onmetelijk spoorwegnet, vertakt als een spinneweb. Ik vraag me af of het door mijn sabotagedaad aangetast werd. Ja, want elke draad van dat web heeft zijn nut vermits hij de andere schraagt, verbindt, op hun plaats houdt. Elke draad van dat web is belangrijk. En al wat er zich langs die draad bevindt, is even belangrijk: treinen, spoorinrichtingen, stations, werkplaatsen... De Duitsers weten zulks maar al te best. En wij allen die hen bekampen, weten dit ook. Daarom precies houden we hardnekkig vol. Daarom houd ik vol.

De treinen rijden, maar ze zijn bang tot in het kleinste en meest verborgen onderdeel van hun organisme. De treinen rijden, maar ze zijn bang, bang van het vliegtuig dat op elk ogenblik uit de hoge hemel, uit het dikke wolkendek naar beneden kan duiken, bang van de bommen die hen zoeken. Natuurlijk is niet elke bom een voltreffer. Maar wie vandaag boft, kan morgen misschien treuren om zijn wonden, want morgen komt er een ander vliegtuig, komen er tientallen andere... En morgen zullen er andere bommen vallen, morgen zal misschien een trein en nog een trein vernietigd worden, morgen zullen hele stellen ontploffen. En indien ze morgen nog ontkomen, zullen ze misschien overmorgen voor goed, letterlijk en -figuurlijk, in de grond geboord worden.

De treinen rijden, maar ze zijn bang. Bang van de vliegtuigen die alleen maar puinhopen, slachtingen, dood en vernieling achter zich laten. Ze lieten hun sporen achter in het begin van de oorlog te Abbeville, te Le Mans en elders Toen gleden de treinen, geladen met angstige vluchtelingen, als een kleverige massa, over de hellende sporen van de fataliteit. De stoomketels rookten. Sommige ervan, door de stuka’s gemitrailleerd, waren net zeven, maar zo lang de treinen reden, verminderde de angst.

De treinen rijden, maar ze zijn bang. Bang van de vliegtuigen, bang van de saboteurs, verscholen in het hoge gras, in de schaduw van de dag, in de duisternis van de nacht. Bang van de saboteurs die het vuur zijn vrijheid geven en die machines, wagens, gebouwen, palen in vuur en vlam zetten, vlammen die knappen, verteren, vernielen! Bang van de stoutmoedigen die alles ontmantelen, verminken, verstoren. Geen enkele lijn is nog veilig. En de zenuwen worden hard op de proef gesteld!

De treinen rijden en ze moeten rijden, op de eerste plaats voor de Duitsers. En ze rijden ter wille van de mensen, ter wille van de Duitsers en ook ter wille van de onzen die een god dienen welke zij verafschuwen, maar die niet anders kunnen dan hem dienen, een beetje zoals priesters die niet meer geloven maar die nog steeds de rituele handelingen volbrengen, omdat alles moet voortgaan, omdat zij degenen die hen bekijken niet willen meesleuren in hun twijfel, in hun verloochening, in hun wanhoop. Het zijn geen verraders. Het zijn geen collaborateurs vermits ze voortdoen wat ze altijd gedaan hebben. ’t Zijn de Duitsers die hen verplichten te dienen.

De treinen rijden ondanks alles en indien ze niet meer reden zou dit niet het einde van de oorlog, maar wel het einde van de wereld zelf betekenen. Ze rijden ondanks alles, ofschoon de wagens niet meer hersteld worden, de onderdelen ontbreken, de telefoon vaak defect is, de bruggen hier en daar opgeblazen zijn. Ze rijden ondanks de puinhopen en de vlammen, door die puinhopen en die vlammen. Ze rijden, maar niet meer zoals vroeger, niet meer op dezelfde manier, niet meer met dezelfde ijver. Op elk ogenblik moeten ze hun koers wijzigen. Ze schijnen geen steek verder te komen, of zo maar op de tast te vertrekken, zonder goed te weten waar naartoe, net als mieren die op de dool zijn omdat hun nest door een wrekende voet of door een ploeg verwoest werd.

De treinen rijden ondanks alles, en eens te meer vraag ik mij af of het werk van de vliegeniers en van de saboteurs uiteindelijk enig nut heeft. Alles wordt ontredderd. Maar alles wordt steeds weer vlot gemaakt. Verkeersopstoppingen, branden, verbrijzeld of uiteengeslagen materieel, losgerukte sporen, verwrongen spoorstaven, mensen die gedood zijn of gewond: dat alles is slechts een janboel. Maar alles wordt opnieuw hersteld. Alles gaat voort. Voor hoe lang nog?

Ja voor hoe lang nog? Dagen, weken, maanden gaan voorbij. De jaren ook. En alles gaat voort, op goed geluk natuurlijk, maar het gaat toch voort. Men is zich niet bewust van de vorderingen van een kankergezwel dat in het lichaam woekert. En toch zet die kanker ongemerkt zijn dagelijks vernietigingswerk voort. Stuk voor stuk worden de draden van het grote spinneweb afgevijld, dunner gemaakt, doorgesneden. Stuk voor stuk lopen de wielen van het grote raderwerk vast. Het is alsof alles voortgaat, opnieuw opgericht, hervormd, opnieuw hersteld wordt. Maar dat is in feite slechts schijn.

Het is alleen maar schijn, want de vliegtuigen spelen met de treinen het spel van kat en muis, en de saboteurs in Polen, Nederland, Frankrijk en België laten geen enkele gelegenheid voorbijgaan om een of andere draad van het spinneweb aan te wreten, uit te rafelen en zo mogelijk af te breken. Ik denk aan al die onbekende kameraden, aan mijn vrienden uit het Doornikse die reeds zo veel werk hebben opgeknapt, aan de spoormannen die het onderhoud averechts uitvoeren, even nauwgezet als toen ze in vredestijd op efficiënte, onberispelijke wijze het normale onderhoud deden. Allen, zij zo goed als ik, bewijzen wij uit het ongerijmde de onvervangbare noodzakelijkheid van de spoorwegen. Indien wij de spoorwegen als doelwit uitgekozen hebben, gebeurt zulks omdat ze om zo te zeggen de ziel van de oorlog zijn, net als ze in vredestijd de ziel zijn van ’s lands economie, de stimulans voor zijn vitaliteit. Zonder treinen kunnen geen grote dingen worden aangepakt, ook in oorlogstijd niet. Hun verkeer dwarsbomen betekent, precies in deze tijd van Duitse bezetting en onderdrukking, de actie van de vijand dwarsbomen, zijn oorlogspotentieel aantasten, zijn nederlaag voorbereiden, de vrede aankondigen terwijl de vlammen nog oplaaien, de gewonden onze ziekenhuizen vullen, en de puinen talrijker worden net als de houten kruisen die eveneens getuigenis afleggen van de absurditeit van de menselijke heerszucht. De mens is niet geschapen om zijn medemens te overheersen, maar om samen met hem te werken, het oog gericht op een zelfde punt: de toekomst. De toekomst die zou moeten zijn als een spoorbaan, stevig en veilig, breed en broederlijk openstaand naar de horizon!...

VII

De gewezen stationschef W. G., mijn verre, grote baas van vroeger, geeft taal noch teken meer. Is hij voortvluchtig? Werd hij aangehouden door de Gestapo? Zijn verdwijning wordt me gemeld door barones R. L., die deel uitmaakt van onze groepering. Het is een jonge, sympathieke vrouw. Ongeveer dertig jaar, blond, smal voorhoofd, grijze, levendige ogen, wilskrachtige kin... Hoewel vastberaden en energiek, ziet zij er nochtans niet uit als die „amazones” welke vaak een aanfluiting zijn van typische vrouwelijkheid.

W. G. is dus verdwenen. De barones stelt me evenwel gerust: daar hij voorzag dat men hem vroeg of laat toch zou ontdekken, dat hij de benen zou moeten nemen of dat men hem in hechtenis zou nemen, had hij ervoor gezorgd zijn dossiers te zuiveren van alle compromitterende documenten, adreslijsten, verslagen, plans, enz. De leden van de organisatie lopen geen gevaar te worden verraden door de ontdekking van papieren waardoor zij rechtstreeks of onrechtstreeks in het gedrang zouden komen. In deze aangelegenheid is het, zoals altijd trouwens, geraden voorzichtig te zijn, want de vijand is overal en bovendien zijn heel wat van onze landgenoten behept met vrees, bezorgdheid, gewetensbezwaren die hun houding, hun daden en hun reacties kunnen beïnvloeden. Men mag eigenlijk niemand vertrouwen en zeker niet de weifelaars die, als opgejaagde dieren, in staat zijn om blindelings in de val te lopen, hun mond voorbij te praten, de geheimen die ze kennen te verklappen of te gelde te maken, of mannen te verraden die ze er eventueel van zouden verdenken tot een geheime groepering te behoren.

De barones raadt me derhalve aan op mijn hoede te zijn. Samen onderzoeken wij de toestand en „mijn eigen” positie. Ze vertelt me dat ik, over een paar dagen, wanneer ze enkele onontbeerlijke contacten zal hebben genomen, in verbinding zal worden gesteld met een vertrouwenspersoon. Zij kan noch wil me over die persoon nadere uitleg verschaffen. Ik zal weten dat „zij” het is wanneer ze, op mijn vraag „Met wie heb ik de eer?” zal antwoorden: „Ik ben Tchantchet!”

Vier dagen later krijg ik inderdaad het gangekondigde bezoek. „Tchantchet” is een klein, gezet vrouwtje, nog al welgedaan, net het type van de „plattelandshuisvrouw”, d.w.z, een doodgewoon iemand, volstrekt onopvallend, waarin je het volste vertrouwen kunt hebben, een type dat absoluut buiten of – beter gezegd – boven alle verdenking staat, zelfs de onschuldigste. Maar schijn bedriegt. In Tchantchets kleine oogjes ligt er een bescheiden glans die de intensiteit van de inwendige vurigheid weerspiegelt.

„Tchantchet” komt namens de barones. Ze heeft geen geschreven opdrachten meegebracht. Ze deelt ze mij uit het hoofd mee: ze heeft de boodschap van de barones ingestudeerd en onthouden en zet ze traag en duidelijk uiteen. Ze heeft het slepend accent van de bewoners van de Beneden-Maas.


Bron: Het Spoor, mei 1969

Portfolio