Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Toen de sporen gloeiden van angst (IV)

Toen de sporen gloeiden van angst (IV)

Joseph Delmelle. Geïllustreerd door Guy Bosquet.

zondag 27 oktober 2024, door Rixke

Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]

Uit de talrijke en langdurige, geduldige waarnemingen is gebleken dat hier normaal een trein moet voorbijrijden tussen 13 u. 15 en 13 u. 30. Doorgaans is hij samengesteld uit een dertigtal platte en overdekte wagens beladen met allerlei materieel, voedingswaren, hooi en stro. Een mooie buit in ’t verschiet, vooral indien er, zoals ik vermoed, hooi en stro bij is.

Ik wacht. Alles is rustig en de zon staat hoog aan de hemel. Op de top speelt een licht briesje door de hoge, gelende grassprieten. Welke oningewijde bewoner van een vreemde planeet zou kunnen vermoeden dat hier een oorlog woedt en mensen in een onverbiddelijke strijd tegenover elkaar staan? Want deze veldslag vertoont geen gelijkenis met die welke, sedert de toren van Babel, vijandige soldaten met open vizier tegenover elkaar plaatsen. Onder de overwonnenen zijn er die in de nederlaag berusten, ze voor lief nemen en zelfs met de overwinnaars meeheulen. Maar anderen aanvaarden de nederlaag niet en zetten de strijd tegen de vijand voort, in ’t geheim en op verdoken wijze. En ik ben een van die onverzettelijken!

Verborgen in het hoge gras, wacht ik. Het is precies 13 u. 16 wanneer een fluittoon mij het naderen van de trein aankondigt. Alles is klaar om hem te onthalen. Ik heb me voorzien van drie handgranaten. Ze liggen vlak naast me, in ’t bereik van mijn hand, daar in het gras, net gegaufreerde eieren die een olijke vogel, op zijn doortocht, daar speciaal voor mij zou gelegd hebben om me in staat te stellen er een flinke omelet mee te maken.

De trein nadert langzaam, voorzichtig. Hij wordt getrokken door een locomotief van Flamme, type 36, waarvan de grommende stoomketel regelmatig een grote stoomwolk uitstoot. Er waait een zacht windje dat de rookpluimen boven de uitgraving uiteenrafelt en ze in de richting van de berm drijft waar ik me bevind: zoveel te beter, dat zal me nog een bijkomende camouflage bezorgen. Mijn handgranaten liggen klaar. Ik mag niet overhaastig tewerk gaan want ik heb besloten ze te verdelen om zoveel mogelijk vernieling te zaaien. De eerste is bestemd voor het voorste deel van de trein, de tweede voor het middenste en de derde voor het achterste.

De trein rijdt misschien maar een veertig of vijftig kilometer per uur. De krachtige locomotief passeert ter hoogte van mijn schuilplaats. Op het smalle platform van de mastodont staan, links, de machinist en, rechts, de stoker. Door het open kijkvenstertje van de bestuurderscabine houdt de machinist het oog gericht op het spoor, terwijl hij met de ene hand de stoomtoevoer en met de andere de remmen bedient. De stoker controleert de wijzerplaten van de manometers en de peilglazen van de stoomketel. In de tender liggen grote blokken briketkolen opgestapeld. Zijn die twee mannen landgenoten? Het doet er niet toe want mijn eerste handgranaat zal hen niet raken. Ze is bestemd voor de derde wagen. Ik richt me lichtjes op, neem het slaghoedje weg en lanceer ze met volle kracht. Ze ploft tegen de wand van het voertuig, ontploft en beschadigt de wagenbak. De wrakstukken vliegen in het rond... Maar het is mij niet gegund het spektakel in detail te bewonderen. Reeds moet ik mijn tweede granaat werpen. Ze slaat aan op het dak van een wagen en valt neer aan de overzijde van het spoor waar ze ontploft. Ze moet een van de laadbalken van de wagen getroffen hebben, want het voertuig begint plots naar rechts te hellen, zonder evenwel uit het spoor te springen. Ondertussen heeft de machinist de zandstrooier en de remmen in werking gesteld. Het angstaanjagend noodsein weerklinkt scherp en aanhoudend. De trein vertraagt. Zal ik nog de tijd hebben om mijn derde en laatste tuig te werpen? Ja, want hier komt het einde van de trein. En die wagens zijn met hooi en stro geladen. Dat wordt beslist een prachtig vreugdevuur! Ik werp mijn granaat die gedurende een kort moment aan stengeltjes blijft hangen en daarna ontploft. Onmiddellijk laaien hoge vlammen op. Ik zou nog willen blijven, genieten van het spektakel... Maar de trein stopt. Een wacht is zo pas uit een wagen op het ballast gewipt, gevolgd door twee andere. Ze onderzoeken het talud. Ik deins terug, kruipend over de hoge grassprieten. Wellicht heb ik me wat te veel opgericht want er weerklinken plots enkele schoten. Hebben ze me ontdekt? Ik heb geen keuze meer: zo vlug mogelijk wegkomen! De wachten zullen de berm opklauteren, en als ze me ontdekken, is het met mij gedaan. Al lopende bereik ik de plaats waar ik mijn fiets achterliet. Ik wip er op en in razende vaart spurt ik weg van de gevaarlijke plaats. Slechts na zes- of zevenhonderd meter waag ik het even te kijken. Tegen de top van de berm tekent zich het profiel af van een aantal soldaten. Blijkbaar ben ik buiten schot. Achter hen stijgen vlammen en dikke rookwolken ten hemel. Mijn eerste sabotagedaad werd met succes bekroond, maar ik ben nog steeds niet volledig buiten gevaar. Weldra zullen Duitse patrouilles me achtervolgen. Ik ben er echter op berekend. Om mijn taak te volbrengen, had ik een blauwe overall aangetrokken en een platte pet opgezet. Maar op de bagagedrager van mijn fiets heb ik het nodige om, bij de eerste gelegenheid, van kleren te veranderen: een grijze broek, een zwarte jas, een wit hemd en een das. Voorbij het dorp staat er een kapelletje waarvan de ingang achter een dikke boom verscholen ligt. Daar zal ik mijn „gedaanteverwisseling” uitvoeren en zal de arbeider met de overall tot een vreedzaam burgermannetje omgetoverd worden. Mochten de wachten van de trein mijn persoonsbeschrijving aan hun kameraden van de veiligheidsdienst overgemaakt hebben, dan loop ik geen gevaar meer herkend te worden.

Ik trap stevig door. Elke pedaalslag brengt me verder van de vuurgloed. Ik bereik het dorp, maar plots beland ik in een wagenspoor en de vork van mijn fiets breekt middendoor. Ik buitel over mijn stuur en plof een paar meters verder ten gronde. Ik voel overal pijn. Ik raak maar niet overeind. Wat moet er van mij geworden? Niet ver vandaar staat er een klooster. Een zuster die waarschijnlijk mijn val gehoord heeft, opent de deur en wenkt me. Weldra ben ik omringd door vier witte kappen die me recht helpen en me in hun groot stenen huis binnenloodsen. Van op afstand hebben enkele dorpelingen het toneeltje meegemaakt.

Thans bevind ik me te midden van een gonzende zwerm kloosterzusters.

Je fiets is er slecht aan toe, zegt me een van hen. We hebben hem binnengebracht.

Thans bevind ik me te midden van een gonzende zwerm kloosterzusters.

Een andere nadert met een kom warm water. Nog een andere gaat verband, watten en ether halen. Mijn wonden moeten ontsmet worden. Ik ben geraakt aan handen en aangezicht. Mijn overall, die al niet van de properste was, zit vol slijk en bloed. Hij is gescheurd aan het rechterbeen.

– Ik heb andere kleren, zeg ik.

– Ja, ja, dadelijk. Laat u eerst verzorgen. Daarna hebt u ruimschoots de tijd om van pak te veranderen.

Ik laat maar begaan, knusjes in een zetel geïnstalleerd. Op een gegeven ogenblik, wanneer er slechts een kloosterzuster in mijn omgeving is, acht ik het gepast haar mijn geheim toe te vertrouwen. Ik heb zo pas een trein gesaboteerd. De Duitsers zoeken me ongetwijfeld. Het ware raadzaam niet lang in dit oord te verwijlen...

– Integendeel, antwoordt de zuster me. Het is beter dat u hier een tijdje onderduikt. Hier hoeft u immers niets te vrezen...

– Maar heel wat mensen hebben ongetwijfeld mijn buiteling gezien.

– Wat dat betreft, moogt u gerust zijn! Wij zullen vanaf deze avond overal rondvertellen dat u weg bent... Trek het u niet aan en kom mee.

Het zustertje gaat me voor en ik volg haar gedwee. Ik kan moeilijk lopen, maar het gaat. Achter het nonnetje aan kom ik in een sober zaaltje terecht waar een bord dampende soep me te wachten staat.

– Eet nu maar, zegt de kloosterlinge. Gejaagdheid maakt hongerig, nietwaar?

Inderdaad: ik heb honger. Ik begin zo gulzig te lepelen dat ik me er achteraf wel over schaam. Nauwelijks is mijn bord leeg of daar brengt een medezuster me een ander bord met een stapel aardappelen, groente en vlees, alles overgoten met een vette, goed gebonden saus waarvan de geur alleen reeds me doet watertanden. Ik eet. Het is lang geleden dat ik nog zo lekker gegeten heb. Gewoonlijk stel ik me tevreden met wat de ravitailleringszegels.me te bieden hebben: een paar sneden schier onverteerbaar brood, aardappelen, een heel klein stukje vlees, haring... Ik eet. Ik merk niet eens dat vijf of zes nonnetjes me gadeslaan, zo stil zijn ze. Maar op zeker ogenblik wijst het geklingel van een medaille tegen de kralen van een paternoster me erop dat er toch iemand is. Ik kijk om. Vijf of zes lachende gezichten zijn op mij gericht , ik glimlach op mijn beurt, enigszins verlegen.

– Trek het u niet aan, zegt een van de zusters. Wij kennen uw wedervaren.

Eenmaal binnen, gaan de zusters in een kring om mij staan. Maar zusters zijn ook vrouwen en dus nieuwsgierig. Het regent vragen. Tussen twee mondvollen in antwoord ik, nu eens links, dan weer rechts, zonder te weten vanwaar de stem komt die me ondervraagt.

– Ja, zegt een onder hen, eigenlijk bent u niet de eerste man die door onze kloostergemeente opgenomen wordt. Drie weken geleden verbleven hier twee Engelse piloten die met hun valscherm uit hun getroffen toestel gesprongen waren. Ze verbleven hier drie dagen alvorens te vertrekken, vermomd als... priesters. U merkt wel dat u in goede handen bent.

Inderdaad, ik heb het goed getroffen: de nonnetjes zijn charmant, voorkomend, vol attenties. Voor de nacht brengen ze me naar een cel. Het pakje met mijn burgerkleren, broek, jas, hemd en das ligt op de tafel. Het bed is helemaal niet kloosterachtig. Het is zacht...


Bron: Het Spoor, april 1969