Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Toen de sporen gloeiden van angst (II)

Toen de sporen gloeiden van angst (II)

Joseph Delmelle. Geïllustreerd door Guy Bosquet.

zaterdag 12 oktober 2024, door Rixke

Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]

Ik wacht niet tot de hemel mij ter hulp komt. Op zekere dag, het was omstreeks halfoogst, valt er een briefkaart in mijn bus, ondertekend met de initialen W. G. Ik weet wat dat beduidt. Een uur later sta ik op het perron van het Noordstation te Brussel, wachtend op de trein naar Antwerpen. Wanneer het oorlog is, hebben de treinen altijd vertraging.

Na een overstapje te Mechelen, waar de spoorwegbrug opgeblazen werd, kom ik te Antwerpen aan. Ik begeef me naar de Leysstraat: daar woont W. G. Ik word binnengeleid in een kantoor. Achter een bureau zit een reus van een vent die zijn gewicht blijkbaar vooral te danken heeft aan een gebrek aan beweging. Rode vlekken ontsieren zijn glad aangezicht; zijn haren worden grijs. Hij spreekt vlug, zenuwachtig, en zijn hoge stem is als ’t ware een aanfluiting van zijn omvangrijk lichaam.

– Wat brengt je naar hier?

– Ik ontving je kaart. Ik ben gekomen. Ik ben klaar om te dienen!

– Wie dienen? Wat dienen? Wat bedoel je? Ik begrijp je niet!

– Dezelfde zaak dienen die jij dient!

– Verklaar je nader!

Ik leg het hem uit. Mijn gesprekspartner luistert zonder me te onderbreken. Zijn gelaat is één discrete glimlach. Hij steekt een sigaret op, en na mijn belijdenis te hebben aanhoord, zegt hij:

– Eigenlijk is de oorlog nog maar pas begonnen Je Duitsers wonnen de eerste manche, ze zullen de tweede en ook de beslissende verliezen, maar het zal lang, heel lang duren. De Engelsen zijn niet klaar, maar ze zijn veilig op hun land. Ze staan voor een uiterst zware taak. Op het continent wacht ons een andere, niet minder nuttige taak. Wij moeten de verspreide krachten opnieuw groeperen, fondsen inzamelen, de gedropte mannen helpen, de troepenbewegingen gadeslaan, de Duitse versterkte stellingen opsporen, hulp bieden aan hen die ondergedoken zijn om aan de Gestapo te ontsnappen, contacten tot stand brengen, de uitwijking van landgenoten naar Engeland in de hand werken... Wij moeten ook treinen in de lucht laten vliegen. De Duitsers hebben benzine, maar niet in overvloed. De spoorwegnetten spelen een allerbelangrijkste rol in hun verbindingsstelsel. Wij moeten dus de treinen in de lucht laten springen. Dat zal dan jouw taak zijn!

Ik sta perplex. ’s Nachts een band doorsteken is niet zo moeilijk. Maar een trein laten ontploffen! Ik antwoord niet dadelijk en W. G. raadt ongetwijfeld mijn verwarring, mijn verwondering, want weldra gaat hij verder:

– Je zult de treinen laten in de lucht vliegen omdat ze zo wat de levensaders van Duitsland zijn, omdat ze hun troepen, hun artillerie, hun depots bevoorraden...

Ik luister gespannen. Ik had nooit nagedacht over dat probleem, maar ja, treinen zijn, in oorlogstijd, net als in vredestijd, van onontbeerlijk nut. Ze vervoeren enorme hoeveelheden grondstoffen en eindprodukten. Ze stellen de arbeiders in staat zich naar hun werk te begeven en ervan terug te keren. Ze vervoeren arbeidskrachten uit een streek waar geen fabrieken zijn naar een andere die er wel heeft. In oorlogstijd gaat het schier evenzo. Maar dan werken de fabrieken gewoonlijk voor andere dan vredelievende doeleinden. En vaak worden de arbeiders door soldaten vervangen. Terwijl, bovendien, in vredestijd iedereen erbij belang heeft dat de treinen regelmatig rijden, is zulks niet het geval in oorlogstijd en in een bezet land. Wij moeten derhalve trachten het verkeer te ontwrichten...

– Dat is niet zo moeilijk als je denkt, vervolgt W. G. Ik spreek uit ondervinding. Nu ben ik met pensioen, maar voorheen was ik stationschef. De spoorweg is een beetje zoals het mechanisme van een uurwerk dat alleen maar goed werkt als het goed onderhouden is. Een stofdeeltje of een gebroken tand van een raderwerk kunnen alles in het honderd doen lopen. Begrijp je me?

Ja, ik begrijp. En ik herinner me nog een eigenaardige gebeurtenis: een koe die ergens uit een wei ontsnapt was, liep in de bocht van een spoorbaan toen een reizigerstrein in aantocht was. Normaal zou de trein geen hinder ondervinden van deze botsing, hij zou de koe gewoon omver rijden, haar vermorzelen en er gehakt van maken. Wat dacht u! De locomotief werd uit de rails gelicht, knakte een paal af, sleurde in haar vaart twee rijtuigen mee, verloor haar evenwicht en tuimelde op haar zijde naast het spoor waar ze proestend en sissend enorme rookwolken braakte. Er waren twee doden en een dertigtal gewonden, meen ik. Het treinverkeer lag twee dagen stil. Denk eens aan, een locomotief lichten is geen sinecuur! Het vergde ongeveer vijfendertig uur om de spoorbaan te herstellen. En er diende een overstapdienst te worden ingelegd! Dat alles voor een koe, voor één enkele koe!

W. G. gaat onverstoorbaar verder:

– Het is heus niet zo moeilijk, overigens zul je het zelf wel ondervinden. Ik wil daar niet verder blijven bij stilstaan, men zal je op de hoogte stellen, men zal je de knepen leren! Het werk zelf is natuurlijk gevaarlijk. Het bestaat er in feite niet in steeds maar treinen in de lucht te jagen. Soms is het voldoende ze te doen ontsporen, een of ander orgaan te saboteren... zonder uit het oog te verliezen dat sommige dingen gemakkelijk te herstellen zijn en andere heel wat moeite kosten. Je zult zien! Om te beginnen zou je eerst documentatie moeten verzamelen, studeren... Maar je zei nog niet eens of je de taak die ik je wil toevertrouwen, aanvaardt?

Spoorwegen hebben mij eigenlijk nooit fel kunnen boeien. Als kind heb ik vanzelfsprekend met treintjes gespeeld, net als iedereen! Op een decemberavond, omstreeks Sinterklaas, kwam een vriend van mijn vader bij ons binnenvallen met een grote kartonnen doos, een geschenk van de grote kindervriend, zei hij. In die doos staken een locomotief met veer, een tender, twee wagens en een stel rails, waarmee je een omloop van vijftig centimeter doormeter kon aanleggen. Ik geef toe dat ik gauw genoeg had van een trein die steeds in een rondje reed – in tegenstelling met de echte die recht door het landschap denderen – en die, wanneer hij te hard opgewonden was, zo snel over de rails huppelde dat hij vaak steigerde als een paard en ontspoorde... Denkend aan wat die man me daar net gezegd had, zag ik me thans in een blauw stokerspak op het platform van een snelrijdende locomotief die in haar zog een sierlijk dansende rookpluim en een heel stel volgeladen wagens voortsleepte. Ik zag mezelf met een zwart bestoft aangezicht, terwijl ik de verstelhefboom vasthield en een handvat bewerkte, de snelheid regelde, het zwarte monster streelde en het als een volbloed liet galopperen... Maar het was niet het geschikte ogenblik om te dromen!

  • Principieel ga je ermee akkoord?

Ik schud bevestigend het hoofd. Op dat moment weerklinkt de straatdeurbel. W. G. springt plotseling op.

– Verberg je daar, zegt hij, terwijl hij me een muurkast aanwijst.

Twee minuten later is hij terug. Het was gelukkig maar een haveloze schooier die om een korst brood bedelde. Een korst zwart brood die evenwel in die tijd van miserie, leven betekende!

W. G. gaat opnieuw zitten en bekijkt me:

– Dus, je aanvaardt! Beslist?

– Ja, zeg ik met stemverheffing om zijn aandringen te beantwoorden.

– In orde! Vooraf zijn er een paar details te regelen. Je moet leven en je hebt dus geld nodig. Hier zijn drie biljetten! Spring er zuinig mee om want wij hebben het niet breed. Je moet bovendien identiteitspapieren hebben die volkomen in orde zijn. Hier heb je drie afgestempelde bewijzen voor vrij verkeer of „urlaubscheine”, drie arbeidskaarten, drie „fahrscheine” waarop je, naargelang de omstandigheden, verschillende namen en adressen invult. Let er op dat je nooit meer dan een stel van die documenten op zak hebt, want in geval van arrestatie of fouillering zou de ontdekking van verschillende stellen je fataal zijn, dat kun je zo raden! Om te beginnen zul je, zoals ik al zei, het net bestuderen, niet enkel het Belgische net, van Brussel tot aan de Franse grens, maar ook het Franse net, tussen de grens en de Atlantische kust. Langs de Atlantische Oceaan worden thans allerhande vestingwerken uitgevoerd. De Duitsers hebben er van afgezien het Kanaal over te steken, en de door sommigen van hun strategen geplande invasie in Engeland zal geen plaats hebben want ze hebben de middelen niet om in zo’n onderneming te slagen. De Franse kusten zullen een uitstekend prospectieveld vormen daar het geen twijfel lijdt dat de bevrijdingslegers van daaruit zullen starten!

– Eerst en vooral, verduidelijkt mijn gesprekspartner, zul je dus inlichtingen nemen om achteraf met een maximum aan doeltreffendheid en een minimum aan risico’s te opereren en zul je contact opnemen met enkele plaatselijke saboteursploegen. Een ervan werd zo pas opgericht in het Doornikse. Je moet je in verbinding stellen met C. L. uit Pecq en hem gaan opzoeken. Ik zal hem op de hoogte brengen. En daar mee ben ik uitgepraat. Je zult me ongetwijfeld niet meer weerzien: de voorzichtigheid wil het zo dat je me niet kent en dat ik jou vergeet! Een man kan het spoor zijn naar een andere man. Een arrestatie kan een andere tot gevolg hebben. En zo kan snel een hele organisatie opgedoekt worden. Begrepen?

– Ja, begrepen!

– Goed! Hier zijn je documenten en het adres van de agent te Pecq! Hier heb je ook ravitailleringszegels! Er moet aan alles gedacht worden. Wees vooral voorzichtig en mond dicht! Je leven staat op het spel en dat leven is kostbaar, niet alleen voor jou, maar ook voor de zaak van de vrijheid! Tot weerziens, of vaarwel!


Bron: Het Spoor, februari 1969