Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Het station (VII)

Het station (VII)

Ria Scarphout.

zondag 10 maart 2024, door Rixke

– Chef, zeggen de mensen uit het dorp, die hem langs de hoofdstraat in de richting van het station zien fietsen, de Duitsers zoeken u. Als ze u te pakken krijgen, bent u er geweest.

– Zo, zegt de chef enkel.

Wel, wel, die chef, denken de mensen, een zo rare vent is er nooit in dat station geweest. Het is onder zijn leiding gaan bloeien, maar nu gaat hij toch wat te ver. Kijk hem rijden, door de hoofdstraat nog wel, alleen, zelfverzekerd, recht op het station af. Wat mag die man toch bezielen, vragen ze zich af. Maar hij zwenkt af vóór het stationsplein en neemt de grintweg die uitkomt achter de stallen van ’t Schoon Zicht. Wanneer hij aan het huis van Remi komt, staan de wachten voor hem.

– Mitkommen, zeggen ze.

– Goed, antwoordt de chef.

De wachten staan verbaasd. De man die ze zochten, komt zo maar plotseling opdagen, net of hij het zelf zo geregeld heeft, en gaat gewoon met hen mede.

– Jullie Vorsteher is op de blok, zegt hij tot de wachten, als jullie die nodig hebben...

De wachten kijken elkaar aan en duwen de chef de trap van de blok op. In een oogwenk overziet hij de situatie. Werner Hürig staat tegen het vensterraam geleund, de blokwachters steunen met de ellebogen op de schrijftafel en Franz Stern drinkt uit een fles. Het bloed stijgt de chef naar de keel als hij hen een voor een opneemt. Niemand verroert. Zelfs Hürig geeft geen kik. De wachten gapen hem ontdaan aan.

– Donnerwetter, stuift de chef op, ist das Dienst?

Met een ruk springen de blokwachters recht. Stern laat de fles vallen die tot voor de voeten van de chef rolt. Deze geeft ze een zo harde schop dat ze voorbij de wachten de trappen af dendert. Een doodse stilte. Iedereen lijkt verlamd. De chef leest het in hun ogen: hij wint het. Het is ongelooflijk.

– Ik ben terug, zegt hij met een stem als een klok. Daarnet heb ik via de Rijkswacht mijn directeur kunnen opbellen.

Hürig komt voor de chef staan. Zwijgend kijken ze elkaar aan, tot de Duitser zegt:

– Bek houden, ik beveel hier.

Zonder hem een blik te gunnen, keert de chef zich om naar de deur van de blok, maar de twee wachten heffen het geweer naar hem op.

– Sinds wanneer hebben jullie het recht om een chef in zijn dienst te hinderen? Als jullie me niet dadelijk doorlaten, gaat er nog vandaag een nota naar jullie overheid.

Maar de wachten voelen zich sterk en leggen op de chef aan.

– Schiet dan, zegt de chef, ik ken er nog zo, nietwaar Herr Vorsteher?

Nijdig springt Hürig op, maar hij zegt:

– Laat hem gaan.

De wachten begrijpen niet en als met tegenzin schouderen ze hun geweer. De chef stapt hen voorbij en daalt behoedzaam de trap af, denkende: misschien schieten ze me toch nog in de rug, een ongeval is vlug gebeurd. Maar de Duitsers kijken de chef verbouwereerd na. Ze zien hem door de zon stappen en met elke stap weer bezit nemen van zijn station. Het is of hij stralen opvangt die door het station naar hem worden uitgezonden.

Meteen komen zijn mannen het perron op. Hij wordt er bijna week van als een vrouw. Hij moet ervan slikken. Trouw zijn ze, kerels uit één stuk. Hoe moeten ze hem hebben gevolgd.

– Dag chef, zeggen ze.

– Mannen, antwoordt hij eenvoudig.

Hij bekijkt hen een voor een.

– Daar zijn we dan weer, zegt hij. Morgen begint de dienst. Nog zonder treinen, maar ze zullen komen, de sporen zijn reeds vrij tot Oostende. Met militaire treinen hebben we niets te zien, althans niet officieel.

– Ja, knikken ze en staren naar de sporen die beroest in de zon liggen.

De chef volgt hun blik.

– Ze zullen gauw weer blinken. Wie wil helpen mijn meubels terughalen? Ook moet het huis worden schoongemaakt en geverfd vooraleer we erin gaan. Morgen beginnen we daarmee.

Remi heeft zijn twee vrachtwagens uitgehaald. Het is reeds warm in de vroege julimorgen. Een zomer zoals er geen twee in vijftig jaar te tellen vallen. Een tiental mannen laden de meubels op vrachtwagens. De zoon en de dochter staan hand in hand aan de poort.

– We gaan terug naar ons station, zegt het meisje wijs tot de jongen, nu zitten er Duitsers in, maar als wij komen dan gaan ze weg. Zij mogen daar niet blijven als wij in ons huis terug zijn.

Remi heeft plaats genomen in de stuurcabine van de eerste wagen. Zijn helper schuift de deur van de tweede open en zet de motor aan.

– Gereed? roept Remi.

– Ja, baas.

Ze rijden weg, nagestaard door de kinderen.

– Kom hier, roept de moeder tot de zoon, vader is de tandem gaan halen. En jij, zegt ze tot de dochter, neem je fiets, hij staat klaar in de pergola. Rijd achter ons aan.

– Ja, moeder.

De vrouw van Remi helpt de dochter met de fiets.

– Kom je ons bezoeken? vraagt de dochter.

– Ja, zegt de vrouw en haar zware hand rust zo licht op het hoofd van het kind dat het ervan opkijkt.

– Ik wou dat je mijn moeder waart, zegt de dochter.

De vrouw schrikt op en duwt langzaam de dochter de straat op. Dan sluit ze stil de poort.

Het station ziet de chef en zijn familie aankomen. Het is of een pinksterwind erdoor waait. Het vangt hem op met zijn ramen die beginnen te glanzen als vroeger.

De sluitbomen vallen dicht. Het signaal wordt getrokken. Met het oude vertrouwde geluid dendert een trein over de sporen, met een korte slag van de wielen over de wisselverbindingen. Achteraan hangt de flak, het Duitse afweergeschut.

Er is toch iets veranderd, denkt de chef, staande naast zijn mannen, die de meubels even hebben neergezet om de trein te kunnen opnemen.

– Dat is een militaire trein, zegt Hürig, die uit het station is gekomen. Het is verboden op het perron te komen als er militaire treinen voorbijrijden. U moet langs de straat binnen. Verder hebben uw vrouw en uw kinderen hier niets verloren. Het is verboden de moestuin langs de sporen te betreden. Het is verboden kolen te halen langs het perron of water uit de pomp op het perron. Het is verboden het grasveld langs het perron te gebruiken.

– Ver-bo-den, doods-ge-vaar, zegt de dochter, zich de inspecteur en de schrijfmachine herinnerend.

De woorden hangen zwaarder in de stilte dan de stilte zelf. Weer kruipt de onbehaaglijkheid als een slang over de rug van Hürig. Ook het kind, denkt hij.

– Draag voort de meubels binnen, zegt de chef tot zijn mannen die hem onthutst aankijken. Vlak daarop vraagt hij aan Hürig:

– Waar logeert u?

– In het station, Herr Bahnhofvorsteher.

– Tot nu toe, bedoelt u. Nog vandaag zal ik uw overheid inlichten.

De chef staat in het station. Zijn adem geeft het leven. Achter hem is de Vorsteher binnengekomen. Met één beweging vaagt de chef de hele schrijftafel leeg.

– Ik kan me voorstellen, Herr Hürig, dat u mijn schrijftafel boven de andere verkiest, maar het blijft de mijne.

Een cynische glimlach glijdt om de mond van de Pruis, die het voorval volgt van achter zijn bureau. Walter Schmidt staat als naar gewoonte tegen het zondoorbrande raam geleund en kijkt onbewogen toe. Het bloed stijgt Hürig naar de keel. Een ogenblik speelt hij met de revolver. De Pruis slaat hem het wapen uit de hand en zet de voet erop.

– Ik hou niet van jongens die met wapens spelen, zegt hij.

– Je bent een verrader, zegt Hürig, maar zijn stem is nauwelijks hoorbaar.

– Ik ben alleen maar geen idioot, Herr Vorsteher.

– Dank u, zegt de chef, gaat naar het telefoon toestel en draait een nummer: Ik verzoek om inspectie.

Hürig gloeit van woede. Hij zou ze allen kunnen neerschieten: de hooghartige Pruis, de onverzettelijke stationschef en ook die dromer van een onderchef. Ze maken hem gek. De zwijgende mond van Schmidt is al even stug toegeknepen als de lippen van de Pruis en van de chef het zijn. Maar wat hij in hun ogen leest, ontnuchtert hem. Hij wordt rood tot in de hals. Onzeker raapt hij de revolver op en gaat naar buiten. Nog geen kwartier later staat de kleine Stern in het station en raapt zwijgend de papieren van de grond op.

De twee Duitse inspecteurs hebben de chef aangekeken en de stevige blik opgevangen die zijn woorden kracht bijzet. Er wordt een nota opgesteld: de Duitsers zullen in het dorp logeren.

De Pruis haalt de koffer uit het aanpalende vertrek, neemt zijn kepie van de haak en met het hem toegestoken adres en een beleefd „Danke schön” vertrekt hij. Walter Schmidt knikt kort als doet het hem leed het station te moeten verlaten. De kleine Frans sleurt de geweldige koffer van Hürig uit het station.

Hoe vertrouwd wordt weer het station nu de chef er alleen in rondloopt en de hand op ieder meubel legt. Wanneer hij opkijkt van het glanzend hout waarover de namiddag ligt, staat de Pruis reeds weer in het station.

– Het is niet goed in bepaalde omstandigheden een station aan zijn chef over te laten, zegt hij.

De chef is verrast. Tegenover deze man zal hij op zijn tellen moeten passen. Trots staat de Pruis daar, zo correct en evenwichtig dat het station ervan huivert. Hij geeft niets van zijn gevoelens prijs wanneer hij de chef aankijkt, en hem met effen ogen volgt. Als gedwongen door die blik gaat de chef weg.

Het station is ijzig koud geworden. Het is een kat op een prooi uit. In zijn woning wacht de chef geduldig op de aankondiging van de eerste reizigerstreinen. In zijn herinnering hoort hij soms het jachtig ritme terug van de exprestreinen naar Parijs, Warschau, Rome, Athene. In de rode zetel naast het radiotoestel luistert hij naar de berichten van de B.B.C. die hem tussen de interferenties door bereiken: „Rudolf heeft platvoeten”, „Jeanne gaat morgen naar Brussel”, „de rode zetel staat in het salon”. Hij knijpt met de ogen wanneer hij de berichten hoort en verdwijnt dan plotseling in de dag. ’s Nachts sluipt soms een schim langs het station die een kokertje achterlaat in een hoek van het kelderraam.

De Pruis ziet op het grint voetstappen die er de vorige avond niet waren. Hij volgt de klompjes aarde die van schoenen zijn gevallen aan de achterpoort van het huis. Zo dikwijls hoort hij het V-sein van de B.B.C. in het huis, wanneer hij bij de muur schijnbaar staat te dromen. Hij denkt daar het zijne over en dezelfde gedachten raadt hij in de ogen van Schmidt, wanneer ze ’s middags samen op de spoorstaven staan. Geen van beiden zegt een woord. Geen van beiden kijkt naar de verse klompjes aarde over het perron naar het weggetje van boer Vandesompel. Ze staan er dagelijks precies één uur, tussen twee militaire treinen in. Schmidt schommelend van het ene op het andere been, zijn eeuwige appel kauwend en met de brede dromerige blik van de dichter in zijn ogen. Borchert kaarsrecht en onbeweeglijk in de zon, zijn hoge hals en scherpe neus afgetekend tegen de blauwe lucht. Hij speelt niet met zijn evenwicht zoals Schmidt. Borchert houdt van geen enkel spel. Elke dag staan ze daar, als hadden ze afgesproken, in de zon, in de regen, in de wind. De dochter in haar witte jurk loert verlegen achter het gordijn. De Pruis staat voor haar als een reus, achter hem het wachthok, links de elektriciteitspaal en rechts de bruine telefoonpaal met de witte bekertjes en de zwarte draden. Deze lijken door het hoofd van de Pruis te gaan. Gek is dat, denkt de dochter. Hij zou over bergen kunnen stappen. Ze is bang voor hem en tegelijk trekt hij haar aan. Gans de wereld wordt wit wanneer ze naar de Pruis kijkt. Ook dat is gek.


Bron: Het Spoor, september 1966