Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Het station (II)

Het station (II)

Ria Scarphout.

woensdag 31 januari 2024, door Rixke

– Wachten jullie op iets? fluistert het meisje. Ik wist niet dat er zoveel touwen bestaan.

Sommige balen liggen een beetje schuin tegen de andere aan. Hier en daar is een baal losgeraakt en loopt een touw een eind door de zitkamer. Zorgvuldig windt het kind het op.

Nu eerst luistert ze naar de hallucinerende stilte van het station. Ze schuift terug naar de gommen en graait erin. Eén voor één laat zij ze op de grond vallen en luistert naar de zachte tik, die zachter is dan haar ademen. Ook de geluiden buiten zijn stilgevallen. Geen enkele trein meer. In het trapgat, waar het licht een vloeibare witte schemer is, licht de dochter de hoes op van een schrijfmachine. Ze bekijkt aandachtig de glanzend zwarte toetsen, die warm aanvoelen door de zon die op het venster zit. Ze aait er voorzichtig over. De toetsen hebben een lichte binnenwaartse glijding waarin de vingertoppen rusten. Het meisje slaat er een aan. Het geeft een licht geluid dat wegglijdt in de schemering van de gang. Dan drukt ze met alle vingeren op de toetsen, zodat de letters blijven staan. Ze schrikt ervan en peutert behoedzaam de staafjes los tot deze met een dof slagje in de machine verdwijnen. De hoes is nu helemaal van de schrijfmachine gegleden en de dochter ziet de rubberrol. Ze betast haar en trekt aan de nikkelen hendel. Opeens springt de wagen met een zacht belgerinkel weg. In de stilte van het trapgat echoot het belletje na. En terwijl het meisje ernaar luistert, staat de inspecteur achter haar en zegt:

– Zo moet je het doen.

Hij legt zijn vingers op de toetsen en zijn twee duimen op de baar onderaan. Hij drukt hierop en ze ziet verbaasd dat de wagen verspringt.

– Geef me eens een papier, zegt de inspecteur.

Ze gaat naar de woonkamer en trekt uit een pak een wit blad dat ze naar de inspecteur brengt.

– Dank je, freule, zegt hij zacht en schuift het papier in de schrijfmachine. Nog nooit gezien?

– Neen, schudt ze met het hoofd.

– Die rubberrol noem je de wagen, zegt de inspecteur, terwijl hij met zorg lettertjes op het blad zet a, b, c, d, e, f, g. Ken je het alfabet?

– Ja, inspecteur.

– Goed. Kijk, blind tikken is de kunst. Je moet de plaats van ieder lettertje en ieder cijfertje leren, zo kan je vlug tikken zonder naar de toetsen te kijken.

Je moet natuurlijk zeer veel geduld hebben, dan leer je het wel.

– A, z, e, r, t, y, leest het kind.

– Zo moeilijk is het niet. Hoe oud ben je?

– Negen.

De inspecteur knikt instemmend, alsof hij het reeds wist. Dan tikt hij op het blad, terwijl de dochter meeleest:

– Niet aanraken a.u.b., doodsgevaar.

– Dat is de oorlog, zegt hij. Nu is het jouw beurt.

Ze legt de vingeren over het toetsenbord maar kan met de duimen niet tot onderaan.

– Je zal veel moeten eten, zegt de inspecteur.

Ze zoekt de letters en vormt het woord dat ze zegt:

– Chocolade.

Ze lachen scherp in de stilte van het station. Een dunne lach die door de gang glijdt en wegsterft tussen de stapels papier.

– Het is hier stil, zegt het meisje almeteens, komen er geen treinen meer, inspecteur?

– Misschien later nog, misschien ook niet, weifelt hij. We moeten afwachten. Ben je bang?

– Neen, antwoordt ze. En vlak daarop met een zekere onrust in de ogen:

– Waarvan zou ik bang zijn?

– Ja, zegt de inspecteur verbaasd, ik weet het ook niet. Ben je niet moe, freule?

– O neen, ik kan nog veel meer dragen.

– Met dat water was het een leuk spelletje voor je, he?

– Dat is toch geen spelletje, inspecteur, zegt het meisje opeens volwassen, anders gaan die mensen allemaal dood.

– Weet je dat zeker? vraagt hij met een plotse schrik.

– Natuurlijk, dat zag je toch zo. Als je van huis weggaat, dan ga je dood.

– O zo, zegt de inspecteur en kijkt het meisje aan dat wit in de schemering staat, zelfs met witte ogen bijna.

– Ze konden bijna niet meer spreken toen ze om water vroegen en hun handen waren zo warm. Hun ogen waren bijna helemaal dicht.

– Dat heb je goed gezien. Jij ziet veel, is het niet?

– Ja.

– Verboden toegang, tikt de inspecteur, terwijl hij spelt.

– U luistert niet meer naar me, zegt het kind ontgoocheld.

– Toch, toch wel. Hoor, je moeder roept.

– Ze roept altijd.

De inspecteur lacht met zijn hele gezicht. Het meisje ziet duidelijk de top van zijn neus rood worden en de wallen onder zijn ogen zwaarder en blauwer.

– U bent een clown.

– Dat ben ik, zegt hij, haar haastig in de gang duwend, ga nu naar je moeder.

– Brengt u vanavond nog chocolade? vraagt ze, terug in het trapgat.

– Neen.

– Ik heb brood, zegt de moeder uit de duisternis van de gang. En kom me nu in de keuken helpen. Er is geen plaats meer om nog een bord neer te zetten.

Plotseling trilt het station.

– Een trein, roept het kind.

Als ze op het perron staan, slaan de portieren open en lopen burgers en soldaten het station binnen. Ineens is het station één stofwolk, een nest van wilde, kakelende wezens.

– Alle deuren en ramen afsluiten, vooruit, zegt moeder tot dochter, en waar is je broer?

De zoon staat aan het achterpoortje en zwaait wanneer hij zijn naam hoort noemen.

– Naar binnen, beveelt moeder.

Hij vindt het juist zo goed nu, die drukte. Dat gesjouw met enorme pakken en al die mensen en kinderen op het perron.

– Wachtkamer ontruimen, roept de chef, de uitgangen vrijlaten, vooruit.

– Waarom stopt die trein hier? vragen de mensen. We moeten verder. Waarom moeten we er hier uit?

– Omdat verderop alle sporen vol met treinen staan, antwoordt de chef telkens.

– Ze rijden maar of er geen sectie meer bestaat, signalen hebben geen zin meer, bromt Brombeer. Waar gaan we naartoe?

– We doen wat we kunnen, zegt de chef. We hebben opdracht gekregen, de vluchtelingen van deze en van de volgende treinen in het dorp te herbergen. Dat zullen we doen. De baby’s en de moeders in de wachtkamer. De nachten in mei zijn koud en gevaarlijk.

– Tot uw dienst, chef, ik roep de mannen op.

In deze chaos vind je je eigen armen en benen niet terug, maar de chef leidt geduldig de deinende kudde mensen.

– Ik heb mijn zoon verloren, jammert een haveloze man.

Hij schreit zonder schaamte.

– Uw zoon? zegt de chef als om tijd te winnen.

– Alles heb ik ginder verloren, toen de eerste schoten vielen. Ik had alleen nog mijn zoon.

De man wijst naar de horizon. De tranen leken in zijn baard en hij vaagt ze niet weg.

– Mijn zoon, schreit hij.

– Politie, zegt de chef kort en trekt hem mee door het volk naar zijn bureau. Roep de rijkswacht op, beveelt de chef aan Kruk die zwetend de telefoon gesprekken tracht te beheersen.

– De toestellen zijn zo bezet dat ze niet meer vrij komen, chef, antwoordt hij.

– Rijd er dan heen. Er moeten hier gendarmes zijn. Neem ergens een fiets of zend Mespel. Onmiddellijk twee gendarmen. Maak voort.

– Ja, ja, chef.

– Neem hier plaats, zegt de chef tot de man en wacht. Geef je papieren aan de onderchef. Hij zal ze onderzoeken. Brombeer, tracht die man te helpen.

De chef is reeds weg. Het station vangt een nieuwe mensenmassa op uit de openslaande portieren van de volgende trein.

Vreemd zoals de chef nu door zijn overrompeld station stapt. De vrouw mist geen van zijn bewegingen. Het is of hij het contact met die stakkers nodig heeft, om verder te kunnen. Hij die altijd zijn lichaam zowat als een vijand heeft beschouwd. Met een bijna ziekelijke afkeer weerde hij steeds elke aanraking. Hij duwt zijn dochter weg, als ze hem een zoen wil geven. Zij beloert hem nu met een hevige kinderlijke jaloersheid. Pruilend dringt ze zich tussen de vluchtelingen en haar vader. Ze heeft geen medelijden met de stakkers. Ze voelt een weerzin voor ze, omdat ze haar vader in beslag nemen.

Met haar zoon aan de hand loopt de vrouw tussen de vluchtelingen. Haar zoon! Ze houdt krampachtig zijn hand vast en drukt hem ineens tegen zich aan: een moederdier dat de warmte van het jong nodig heeft. De zoon echter schaamt zich. Hij wil gerust gelaten worden. Ook nu. En toch voelt hij haar warmte als weldadig. Hij is de vertroetelde. Hij behoeft zijn moeder maar aan te kijken om te weten dat hij alles krijgt wat hij vraagt. Zelfs een stuk chocolade als hij er nu lust in heeft. Maar eerst zal hij die melkflessen doorgeven die zo warm uit de keuken van het station komen. Hij vindt het heerlijk zo een beetje met zijn moeder te kunnen doen wat hij wil. Het geeft hem een groot gevoel. Die avond is er geen chocolade, maar cacao om de boterhammen in te soppen.

– De treinen lijken op elkaar nu ze geen nummers meer hebben, zegt de vader over het hoofd van zijn kinderen heen.

De inspecteur knikt en roert afwezig in zijn koffie.

– Gelukkig is er nog koffie, maar voor hoelang nog? zegt hij om maar iets te zeggen.

– En voor hoelang nog zijn we samen? vervolgt de vrouw.

Ze aait over het hoofd van de zoon.

– Je bent moeders beste kind, zegt ze vertederd.

– Vader, hou je van me? vraagt de dochter almeteens.

– Tuurlijk, zegt de vader afwezig, en wanneer ze naar hem toe wil lopen, staat hij op en zegt aan de inspecteur:

– Gaan we even kijken?

In de wachtkamer slapen de baby’s en waken de moeders. Het ruikt er naar melk en zweet. De kachel gloeit.

– Als jullie iets nodig hebben, zegt de chef, klop dan maar op de achterdeur, of druk op de nachtbel, naast de deur van mijn bureau.

Niemand antwoordt. Ze knikken maar, met de angst nog steeds in hun ogen.

– Dit is een goed station, vervolgt de chef. Slaap nu maar. Morgen zien we wel verder.

Er komt een oppervlakkige rust in de wachtkamer. Een baby kucht en het sussend gefluister van de moeder sterft weg in de halve duisternis.

De chef en de inspecteur trekken de deur achter zich dicht.

– De nachten zijn nog fris, vindt u niet, chef?

– Zelfs kil, inspecteur. Mijn vrouw heeft weer het bed voor u klaargemaakt. Misschien heeft u morgen meer geluk en kan u naar huis.

– Als de Duitsers me niet voor zijn.

Terwijl ze het huis binnengaan, zegt de chef:

– Ik dank u voor uw hulp, inspecteur.

De nachten zijn blauw in mei. Het blaffen van de hond van boer Vandesompel dringt tot in het station door, waar de vermoeidheid ten slotte toch sterker blijkt dan de onrust.

In de vroege morgen is er een samenscholing op het stationsplein. Het telefoongerinkel in het station houdt niet op. De chef en zijn bedienden hebben de tijd niet om tussen twee gesprekken te ademen. De woorden verraders en spionnen haken zich in de hoofden vast. Niemand denkt nog helder. Niemand is nog normaal. In elk gesprek wordt een geheime code vermoed. Er is een vijand, maar waar? Die daar, die priester, kalm in de hoek van het coupé tegen het venster. Hij is wat bleek, vaal zelfs, en schijnt maar half wakker.

De rijkswacht controleert zijn papieren en zijn bagage, en vraagt hem mee te komen voor een grondiger onderzoek. Hij sukkelt uit de trein en wankelt het perron over. Van achter de blok wordt een man te voorschijn gehaald, die bezig was met de seindraden door te knippen. Als de chef en de rijkswacht er niet waren, zou de man worden gelyncht. De rijkswacht laat de priester vrij die traag naar de trein teruggaat en plaats neemt in hetzelfde hoekje.

Aan de sluitbomen, tegen de gevel van de banketbakkerij staan joden samengetroept. Ze spreken Duits. Ze brengen de eerste overweldigende angst mee. Ze zijn er in geslaagd, van de ene trein op de andere, het Duitse leger te ontvluchten. Toch zijn ze niet gerust. Ze zoeken steun tegen de muur. Ze weten niet meer waar hun bagage is achtergebleven. Engeland is ook voor hen het beloofde land.

– Of er nog een trein komt? Een allerlaatste?

De chef weet het niet. Hij krijgt alleen nog telefoonoproepen over verraders en spionnen. Voorzichtig zoekt hij nu naar de oude vertrouwde gezichten om een kring van veiligheid te trekken om het station.

Het gevaar begint voorgoed. Het station dooft lichten en geluiden. Het maakt zich klaar.


Bron: Het Spoor, april 1966