Homepagina > Het Spoor > Maatschappij > De E.C.M.V. vierde haar 10e verjaardag
De E.C.M.V. vierde haar 10e verjaardag
maandag 27 februari 2023, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Verschijnselen zoals de verhoging van de produktie en van de consumptie als gevolg van de explosieve demografische uitbreiding, alsook de verschuivingen in de vestiging van talrijke economische en industriële activiteiten hebben een zodanige verhoging en uitbreiding van de transporten met zich gebracht dat de verantwoordelijke instanties op het internationaal vlak moeten samenwerken.
E. Salin.
In januari 1953 had M. Morice, toenmalig Frans minister van Openbare Werken en van Verkeer, de eerste stoot gegeven tot het samenbrengen, te Parijs, van zijn collega’s van acht Europese landen voor een gemeenschappelijk onderzoek van een zeker aantal problemen. De bekomen resultaten hadden uitgewezen dat de periodieke organisatie van gelijkaardige vergaderingen op een ruimere basis wenselijk was. M. Segers, destijds Belgisch minister van Verkeerswezen, belegde dan ook, met de steun van de Raad van Europa en van de O.E.E.S., in oktober van hetzelfde jaar, te Brussel, een vergadering die tot oprichting van de E.C.M.V. zou leiden.
Sedertdien streeft de E.C.M.V. naar de meest rationele ontwikkeling van het binnenlands vervoer van Europese belang en beijvert zij zich om de werkzaamheden van de onderscheidene internationale instellingen te coördineren. Zij is geen bureaucratie en ook geen supra-nationaal gezagsorgaan. De ministers, geholpen door „plaatsvervangers”, treffen een akkoord over een gemeenschappelijke politiek en handelen voor zover hun eigen bevoegdheid reikt.
De E.C.M.V. omvat thans 18 landen: België, Denemarken, Duitse Bondsrepubliek, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Joegoslavië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Zwitserland.
Onder de voornaamste realisaties van de E.C.M.V. vermelden wij de oprichting van Eurofima, het vaststellen van de relaties van internationaal wegverkeer, een verslag over het Europese net van pijpleidingen en besluiten met betrekking tot de duw-methode, een nieuwe techniek die aangewend wordt voor massavervoer op de waterwegen. Laten wij nog aanstippen dat een groot aantal Lid-Staten van de E.C.M.V. besloten hebben hun nationale regelen op het stuk van wegverkeer eenvormig te maken. Men hoopt uiteindelijk een Europese wegcode te bereiken.
Tijdens de academische zitting, waarop het tienjarig bestaan van de conferentie werd gevierd, verheugde M. Bertrand, minister van Verkeerswezen en voorzitter van de E.C.M.V., zich erover te kunnen onderstrepen dat de voornaamste problemen waren aangesneden in een geest van oprechte samenwerking en dat de leden elkaar doeltreffend hadden geholpen in de duizelingwekkende evolutie van het economische en sociale leven. Sprekende over de toekomst zei M. Bertrand dat „de landen de organisatie van hun vervoer, die thans opgevat is overeenkomstig hun nationale economie, zullen moeten wijzigen voor een gemeenschappelijke organisatie die, op de eerste plaats, de internationale uitwisselingen zal dienen te bevorderen”.
In de loop van dezelfde zitting, die werd opgeluisterd door de aanwezigheid van prins Albert, hebben MM. Armand, secretaris-generaal van de U.I.C. en gewezen directeur-generaal van de S.N.C.F., Salin, professor aan de universiteit van Bazel, Whitaker, voorzitter van het Britse Verkeersinstituut, en Brak, secretaris van de Internationale Unie der Transportarbeiders, zeer beluisterde lezingen gehouden waarvan wij, elders, de hoofdgedachte publiceren. Alle deelnemers hebben, in de namiddag van dezelfde dag, met voldoening vernomen dat M. L. Armand tot lid van de Franse Academie werd verkozen.
Gedurende de vierdaagse zitting van het tienjarig bestaan, hielden de ministers en de „plaatsvervangers” zich vooral bezig met de uitwerking van de beginselen van een algemeen vervoerbeleid, een probleem dat bijzonder ingewikkeld is wegens de grote verscheidenheid van de politieke, economische en sociale structuur der Lid-Staten. Zij hebben ook een programma voor verbetering van de veiligheid op de weg uitgewerkt.
Laten wij, ten slotte, nog vermelden dat de organisatoren van de zitting van de Xe verjaardag (Comitrans 1963, Belliardstraat, 205, Brussel) een belangwekkende en rijk geïllustreerde brochure van 125 bladzijden hebben gepubliceerd over „België en zijn vervoer”. Als documentatie publiceren wij hierna het slot van het hoofdstuk over „Het vervoer per Spoor”.
„De Belgische Spoorweg, die op het binnenlands vlak een verregaande rationalisatie nastreeft, vindt op het Europees vlak een nieuw expansiegebied waarmee zijn reorganisatie rekening dient te houden. Streken die tot de dichtst bevolkte ter wereld behoren – de streek van Parijs, Noord-Nederland, de Ruhr en de streek van Londen – liggen rond onze hoofdstad verspreid in een straal van 300 km, de ideale afstand voor de moderne spoorweg. Het neerhalen der tolbomen moet onze spoorweg bevrijden van het gebied der korte afstanden waarin onze enge grenzen hem, tot op een zekere hoogte, nog afzonderen, en hem de mogelijkheid bieden een nieuwe vlucht te nemen. Men mag, ten slotte, aannemen dat, dank zij de confrontatie van de onderscheidene nationale standpunten betreffende de taak van de spoorweg, in de E.E.G, een gemeenschappelijke politiek zal ontstaan, gebaseerd op een juiste schatting van de waarde der diensten die door elke vervoerwijze worden bewezen. De toekomstperspectieven verplichten de spoorweg meer dan ooit zijn diensten te verbeteren en zijn kostprijzen te verminderen, door over de nasleep van een voorbijgestreefd verleden heen te stappen en door de technische uitrusting van zijn grote verkeersaders verder door te zetten.”
| Voor het vervoer volgt nu hij uitstek het tijdperk van de organisatie. Tot nog toe was de techniek enigszins afhankelijk van de uitvindingen en van de mogelijkheden die in alle takken zijn toegenomen. Thans moeten de economische en sociologische wetenschappen haar beslist voorafgaan. Het is algemeen geweten dat men alles kan uitvinden. Het komt er dus vooral op aan te kunnen beschikken over organisatoren die zeggen in welke richting er moet uitgevonden worden. Het einddoel zal dan niet de ontwikkeling van de vervoertechnieken maar het welzijn van de mens zijn. Er zijn vooruitziende organisatoren nodig die kunnen kiezen en oriënteren, organisatoren die een hernieuwing van de techniek teweegbrengen, hierbij geholpen door de elektronische ordinatoren, die hulpmiddelen welke in staat zijn om de te treffen beslissingen voor te bereiden, niet meer om het vervoer te coördineren (het statisch tijdvak is voorbij), maar om de ontwikkeling ervan ten bate van de gemeenschap te harmoniëren. Wij hebben volledige en gedetailleerde analyses nodig om elke vervoerwijze de plaats te geven die haar toekomt, al ware het maar, om te beginnen, door het vaststellen van werkelijke kostprijzen, wat nooit gedaan werd, omdat men nooit rekening heeft gehouden met alle elementen die op dit gebied een rol spelen. Wij hebben ook een leerstoel nodig voor de psychofysiologie van het vervoer, die, in het belang van de reizigers en de arbeiders, onder meer zal onderzoeken hoe ze te bevrijden van de vermoeidheid en van het geluid, vermits de Schepper, die ons oogleden heeft geschonken, geen deksels voor onze oren heeft voorzien... L. Armand. |
| De politiek inzake investeringen dient meer en meer te steunen op.de studie van de globale kostprijs van de vervoerprestaties. E.G. Whitaker. |
| De modernisering van de spoorwegen heeft op de levenswijze van de spoormannen een zulkdanig weerslag gehad dat het volstrekt noodzakelijk is geworden de betrokkenen, zowel technisch als mentaal, voor de nieuwe arbeidsmethoden geschikt te maken. W. Brak. |
Bron: Het Spoor, juli 1963
Rixke Rail’s Archives