Homepagina > Het Spoor > Over ... en ... > Over dal en spoor > Antwerpen

Antwerpen

R. Gillard.

dinsdag 22 november 2022, door Rixke

Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]

Antwerpen is een oude Romeinse stad die, in 836, door de Noormannen verwoest en in het begin van de 10e eeuw heropgebouwd werd. Het heeft een bewogen en soms tragische geschiedenis gekend. Achtereenvolgens behoorde Antwerpen tot het Graafschap Limburg en daarna tot het Huis van Leuven, waarvan de Lotharinger Godfried met de Baard in 1106 de erfgenaam was. Vrije stad geworden onder de rechtsmacht van de Hertog van Brabant, kende het vervolgens de praal van de Vlaamse Gemeenten; alom verrezen prachtige monumenten en de haven beleefde een merkwaardig bloei. Deze opgang wekte onvermijdelijk de naijver op van andere staten en zou uiteindelijk de teloorgang van de stad betekenen. In 1576 werd zij tijdens de Spaanse Furie geplunderd; tienduizend mensen kwamen om het leven, vijfhonderd huizen werden vernield. Opgejaagd door de Inquisitie, uitgeput door droevige belegeringen – de meest beruchte, door Alexander Farnese in 1584-1585, duurde niet minder dan veertien maanden –, vluchtten de bewoners naar veiliger oorden. Van honderdvijftigduizend bij de aanvang van de 16e eeuw, slonk de bevolking, in 1600, tot zestigduizend. Het vernederende Tractaat van Munster, in 1648, betekende voor de stad de genadeslag. De Schelde werd gesloten voor de grote koopvaardijschepen; voorbijgestreefd door Amsterdam, werd Antwerpen een dode stad. Het herleefde evenwel, herwon een zekere welstand, maar vond zijn aanzien niet terug; ondanks een zekere bedrijvigheid en welvaart bleef het een geknakte, vervallen stad. Napoleon schonk Antwerpen zijn glans terug; meer nog, hij breidde het uit, verfraaide het, vertroetelde het. Hij maakte het tot de grootste krijgshaven van het Franse Rijk door het te begiftigen met haveninstellingen die de kern vormden van de huidige handelshaven.

Want wie Antwerpen zegt, denkt ontegensprekelijk, op de eerste plaats aan zijn uitgestrekte haveninstallaties. Gelegen op achtentachtig kilometer van de zee, aan het eindpunt van het Albertkanaal, wedijvert het thans met Hamburg en Rotterdam. Het is de eerste van de Europese lijnhavens. Tweehonderdnegentig geregelde scheepvaartlijnen, die vijftig landen vertegenwoordigen, verkozen het als aanleg- of thuishaven. Ter hoogte van de stad is de Schelde vijfhonderd meter breed en haar diepgang bedraagt er acht meter bij laag water en twaalf meter vijftig bij hoog water. De haven heeft een totale oppervlakte van vijfduizend driehonderdveertig hectare en omvat een dertigtal dokken waarvan drie voor binnenscheepvaart, twee voor lichters en de overige voor zeescheepvaart. De toegang tot de dokken wordt verzekerd door zes zeesluizen, waarvan de meest recente, de Boudewijnsluis, die in 195 5 in dienst werd gesteld, driehonderdzestig meter lang is: zij is de tweede langste van het Vasteland. De haven bezit daarenboven 16 droogdokken, 582 kadekranen, 284 loopkranen, 26 vlottende kranen, 9 laadbruggen, 37 sleepboten, 800 kilometer spoorwegen, loodsen en stapelplaatsen die een oppervlakte van meer dan vijftienhonderd hectare beslaan, uitgestrekte werven voor het bouwen en herstellen van de schepen. De stad zelf en vooral haar voorsteden lijken wel een reusachtige industriële drukknop. Suikerraffinaderijen, stokerijen, brouwerijen, rijstpellerijen, maalderijen, chocolade- en biscuitfabrieken, fabrieken voor scheikundige produkten, petroleuminstallaties, maken thans van onze handelsmetropool een moderne en welvarende verblijfplaats. Antwerpen gaat prat op de eerste Europese wolkenkrabber, het vermaarde Torengebouw dat zevenentachtig meter hoog is – er zijn vierentwintig verdiepingen – en waarvan de oprichting destijds aanleiding gaf tot de meest onzinnige praatjes. Tot de grote hedendaagse realisaties van de stad behoren vanzelfsprekend de zeer vernuftige tunnels onder de Schelde, die op 30 september 1933 voor het verkeer werden opengesteld; ook de sierlijke stadswijken van de Linkeroever en van het Kiel verdienen de aandacht. Het statige Centraalstation, waarvan de stijl ongetwijfeld voorbijgestreefd is, werd ingewijd in 1905. De lokettenhal is zeventig meter hoog; zij maakt onbetwistbaar een „grote indruk”.

Wegens de zeer belangrijke rol die het vervult bij het vervoer van de goederen van en naar het „achterland” van de haven, betekent het spoor, trouwens, een zeer voorname factor in de economie van de agglomeratie. Inderdaad, sedert 1843, het jaar waarin de lijn Antwerpen-Keulen, de zogenaamde IJzeren Rijn werd ingewijd, is Antwerpen een eersterangs-spoorweg-haven geworden, en dat, dank zij zijn geografische ligging aan de spits van een uiterst geïndustrialiseerd gebied, zijn steeds toenemende belangrijkheid als uitvoerhaven van afgewerkte en half- afgewerkte produkten uit West-Duitsland, de intensieve uitbreiding evenals de recente elektrificatie van ons nationaal spoorwegnet. Laten wij evenmin uit het oog verliezen dat Antwerpen gelegen is op de internationale lijn Antwerpen-Middellandse Zee; deze prachtige Europese verkeersader zal, na de voltooiing van de werken aan de Maas en de Rhône, een reusachtige tegenhanger krijgen die Rotterdam met Marseille verbindt.

Enig wellicht in de Europese geschiedenis is het feit dat die stad, welke in de loop der eeuwen tienmaal ingenomen en heroverd, schaamteloos door talrijke krijgsbenden beschoten en geplunderd en tijdens de laatste maanden van de tweede wereldoorlog eens te meer zwaar geteisterd werd, er in slaagde het merendeel van haar oude gebouwen ongeschonden te bewaren. Het vermaardste, de Gothische O.L. Vrouwekerk, mag als een van de grootste tempels van de christenheid worden beschouwd. Deze kerk is honderdzeventien meter lang en vijfenzestig meter breed. De gewelven worden door honderdvijfentwintig fraaie kolommen ondersteund. Onder de talrijke kunstwerken die er prijken stippen wij vooral aan de Afneming van het Kruis en de Kruisoprichting van Rubens. Een weinig verder staat de Sint-Pauluskerk, een prachtig gebouw in Spitsbogenstijl waar men de Geseling en de Aanbidding door de Wijzen, twee andere meesterwerken van de befaamde Antwerpse schilder, kan bewonderen. De Sint-Augustinuskerk bezit, op haar beurt, drie vermaarde doeken: het Mystiek Huwelijk van de H. Catharina van Rubens, St. Augustinus in vervoering van Van Dijck en de Marteldood van de H. Apollonia van Jordaens. De kerk van de H. Carolus Borromeus is vooral bekend om haar ongehoord rijke decoratie die, naar verondersteld wordt, door Rubens werd geïnspireerd.

Wanneer men te Antwerpen rondkuiert, valt men van de ene verrassing in de andere, doet men steeds nieuwe ontdekkingen. Hier hebben wij het Stadhuis, een heerlijk monument dat, na zijn gedeeltelijke verwoesting door de Spanjaarden, in 1581 in zijn huidige vorm werd heropgebouwd. Daar ligt het Steen, met zijn somber verleden; eertijds zetelde er de Inquisitierechtbank, maar dit schrikwekkende gevang werd in een museum herschapen. Een ander museum is dat van Plantin-Moretus, ingericht in het huis zelf waar de befaamde drukker zich in 1549 vestigde; nog een ander museum is dat van de Sier- en Nijverheidskunst, ondergebracht in een fraai Gotisch gebouw uit de 16’ eeuw, het toenmalige Vleeshuis. En waarom zou de Dierentuin in deze opsomming minder passen? Hij ligt slechts op een boogscheut van het Centraalstation. Hoe zouden wij die aantrekkelijke rondgang, waaraan zoonlief ons wellicht zou herinneren, kunnen vergeten!

Maar misschien worden anderen meer bekoord door de betoverende poëzie van de kaaien, door de nauwe bochtige steegjes, waar het gekrijs van trekharmonika’s zich vermengt met de zwoele geuren van friet en bier, door de gulle, zonderlinge stad, waar een veelkleurige, bonte menigte door elkaar wriemelt? Wellicht zullen zij die naar een beetje verpozing snakken, de prachtige stadsparken opzoeken? Want ook dat is Antwerpen: mooie, stille oorden zoals het Nachtegalenpark en het Rivierenhof, waar men op een verlaten bank, tussen twee tochten, rustig kan uitblazen.

Flink uitgerust zult gij u dan wellicht tot andere avonturen laten verleiden. Wat zoudt gij, bv., denken van een tochtje aan boord van een van die lieftallige boten welke u, over het stille water, naar het schilderachtige Lillo, op de drempel van de boeiende Polders, varen...


Bron: Het Spoor, december 1962