Homepagina > Het Spoor > Museum en Museum-lijnen > Treinmusea in Europa > Utrecht: van trekschuit tot hst
Utrecht: van trekschuit tot hst
Hendrik Hayen.
vrijdag 8 oktober 2021, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Met een bezoekje aan het Nederlands spoorwegmuseum in het achterhoofd stapte ik uit de trein in Utrecht CS. Ik was hier nog nooit geweest, dus liep ik maar de NS-winkel in de inkomhal van het station binnen om er een stadsplannetje op te halen. Een bevallige jongedame was mijn redding. „Je kan met bus 3 richting P + R Galgenwaard en uitstappen halte Maliebaan (10 minuutjes) of je kan er ook te voet naartoe doorheen de oude binnenstad (een halfuurtje)”. Ik opteerde voor mogelijkheid twee. Ik had net drie uur treinen achter de rug en een wandeling zou mij wel deugd doen. Met een knipoogje drukte zij mij een stadsplannetje in de hand. Ik was verkocht, Utrecht here I am!
Utrecht heeft heel wat troeven in handen. Het heeft een gezellig historisch binnenstadje en het is er prettig flaneren door de smalle straten en steegjes langsheen de grachten en de Dom. Een aantal Utrechtse musea voeren samen campagne om het „Museumkwartier” in en rond de oude binnenstad te promoten. Op korte afstand van elkaar liggen hier het Centraal Museum, Het Rijksmuseum, Het Catharijneconvent, het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement, het Universiteitsmuseum en tot slot het Nederlands Spoorwegmuseum. Deze musea met hun zeer uiteenlopende collecties zijn allen ondergebracht in fraaie historische gebouwen. Voor meer info over dit „Museumkwartier” kan je altijd terecht bij het VW-kantoor Vredenburg 90, Utrecht.
En toen was er koffie! Ik koos een zitje op het Domplein, ook wel het Piazza San Marco van Utrecht genoemd. Van daar uit was het nog maar een klein wandelingetje, de Stadsbuitengracht over en mijn eindbestemming van die dag doemde voor mij op: het Nederlands Spoorwegmuseum!
Wanneer je het gebouw binnenkomt, wordt je aandacht meteen getrokken door een gekantelde „blauwe doos”, die lijkt te zweven in de open ruimte boven de ontvangstbalie. Dit is één van de radicale vernieuwingen die hier in 1989 werden doorgevoerd. Maar het museum heeft ook nog andere verassingen in petto voor zijn bezoekers!
Een spoorwegmuseum, sinds wanneer?
In 1910 ontstond de idee voor een spoorwegmuseum. Pas in 1927 werd de Stichting Nederlands Spoorwegmuseum boven de doopvont gehouden. Aan de basis lag de verzameling van G.W. van Vloten, een spoorwegambtenaar. Het duurde tot in 1953 voor het museum een passende behuizing vond: het voormalige uit 1874 daterende HSM-station Utrecht Maliebaan. Een belangrijk goederen- en reizigersstation dat echter in de jaren dertig verloederde door het groeiend succes van het centraal station aan de andere kant van Utrecht. Het succes van dit museum bleef niet uit. Het boekjaar 1963 sloot af met 100.000 bezoekers. In 1975 werd er een tweede overkapping bijgeplaatst. In de jaren tachtig drong zich een nieuwe verbouwing op. De verzameling was immers te groot geworden. Na enkele tussentijdse aanpassingen werd het museum in 1989 ter gelegenheid van 150 jaar Spoorwegen in Nederland, volledig verbouwd en opnieuw ingericht. Op 7 juni van hetzelfde jaar gingen de deuren open van een totaal vernieuwd museum zoals het vandaag bezocht kan worden. Op dit ogenblik krijgt het museum jaarlijks zo’n 165.000 bezoekers over de vloer, vooral tijdens de schoolvakanties. Vanuit het buitenland is er weinig belangstelling. Wanneer ik naar de oorzaak ervan peil, lijkt het antwoord mij eigenlijk logisch. Wegens een tekort aan geld, zoals gewoonlijk, kan men het museum te weinig promoten, zeker niet in het buitenland. Een buitenlander gaat immers bij een bezoek aan Nederland meteen naar Amsterdam en laat Utrecht links liggen.
Een nieuw concept
Tot 1989 was er alleen maar de „echte” spoorwegfanaat die hier aan zijn trekken kwam. Het museum was té academisch. De nieuwe opstelling houdt rechtstreeks verband met een breder cultuurhistorische opzet, nl de ontwikkeling van het openbaar vervoer „van trekschuit tot het TGV-net, met het accent op de spoorwegen”. Om dit te realiseren in een stationsgebouw met een centrale hal en twee gelijkwaardige vleugels, werd geopteerd voor een loopbrug waaronder de bezoekers van de buitenexpositie door de hal kunnen lopen zonder de tentoonstelling binnenin het gebouw te hinderen. De ontwerpers (Konald Janssen en Paul Mijksenaar) speelden verder in op het ruimtelijk effect door vitrines op de begane grond ook aan de bovenzijde doorzichtig te maken. Er werden eigentijdse kleuren, materialen en vormen (staal, beton, gewapend glas, roestvrij staal) gebruikt die verband houden met de spoorwegen en dus duurzaam zijn. Van het oude station dat overigens als monument geklasseerd is, blijven eigenlijk alleen de monumentale buitenmuren over. Bij de opzet van het vernieuwde museum zijn de ontwerpers uitgegaan van een schematisch overzicht gebaseerd op vijf historische periodes, drie invalshoeken (mens, techniek en maatschappij) en min of meer volledige verzamelingen (zoals brugmodellen, conducteurspetten en affiches) die als een geheel worden gepresenteerd.
Volg de gids...
Nadat wij ons toegangsticketje betaald hebben, slaan wij rechts af en belanden in een eerste zaal. Onze aandacht wordt meteen door de trekschuit getrokken. Zij geeft ons een beeld van het openbaar vervoer in Nederland voor de komst van de trein. Links hiervan kunnen wij al een eerste maal verpozen en genieten van een diareportage die in 12 minuten op een geanimeerde manier de geschiedenis van de spoorwegen vertelt. Vervolgens lopen wij langs een aantal vitrines die ons wegwijs maken in het ontstaan, de evolutie en het dagelijkse leven van de Nederlandse spoorwegen. Een schaalmodel van de „Rocket loc 1829” illustreert de werking van een stoommachine. Een oorspronkelijk kantoorbureautje dat net lijkt verlaten te zijn, trekt de aandacht voor de wettelijke grondslag van de spoorwegen. Aan de wanden hangen prenten en schilderijen die de tijd van de eerste stoomlocomotieven mooi illustreren. Over de breedte van deze zaal werd een schaalmodel van de brug over de Spaarne en over de Schie opgesteld, maar niet zoals je zou verwachten. De minibruggen zitten in de vloer ingebouwd. Je kan er zo overlopen. Twee authentieke coupédelen vormen de omgeving voor wassen beelden die de mens van een eeuw geleden uitbeelden. Wat verder treffen wij een gestyleerde weergave van een locomotiefloods, waarin zes modellen zijn geplaatst. Door een druk op de knop kan je een keuze maken en zo bijvoorbeeld een Loc SSI of een Loc. SS 183 even vooruit laten rijden. Weer een andere uitstalkast herbergt modellen van ongeveer dertig goederenwagens waarop de namen van de sponsors van het museum vermeld staan.
Wij klimmen een draaitrap op en belanden zo op de loopbrug van 200 m lang, die de twee expositieruimten via de inkomhal, waar ze lijkt door te zweven, verbindt. Langsheen de leuning ervan is een even lange vitrine opgesteld met daarin de schaalmodelletjes van het rollend materieel van 1839 tot nu. In een realistische samenstelling van toen en nu rijden zij hierin over en weer. Een maquette van Amsterdam CS en Amsterdam Sloterdijk vertegenwoordigen de ontwikkeling van de stationsarchitectuur. Halfweg deze loopbrug kan je even binnenwippen in de blauwe kubus boven de inkomhal. Dit auditorium waarin 70 mensen tegelijkertijd naar een doorlopende filmprojectie kunnen kijken, maakt deel uit van de route, maar kan ook gebruikt worden voor vergaderingen of presentaties allerhande. Op het einde van de loopbrug worden wij iets wijzer over de toekomstplannen van de spoorwegen. Een modelspoorbaan waarop een Franse TGV en een Duitse ICE rijden langs een routestrip met steden die door een hogesnelheidslijn zullen worden verbonden. Vanop de brug krijgen wij ook een prachtig zicht op de verzameling affiches die aangebracht zijn op 4,5 m hoge stalen wanden. Het wordt tijd om de trap af te lopen. We botsen op een vitrine, open depot getiteld, met allerlei voorwerpen van emblemen van de verschillende spoorwegmaatschappijen, seinbordjes, sigarettendoosjes,... kortom alles waarmee men vroeger thuis de herinnering aan de spoorwegen levend hield. Tijd voor een beetje actie. Met behulp van een computer en videoscherm kunnen wij actief wissels „bedienen”. Hier wordt duidelijk wat er allemaal op een rangeerheuvel gebeurt. Ook hier vinden wij een „grondvitrine” net zoals in de eerste zaal. Dit keer is het een schaalmodel van een elektrische loc serie 1100 die er zijn baantjes trekt. Wanneer wij onder de brug doorlopen, belanden wij bij een levensechte stuurcabine van een „sprinter”.
Het wordt de hoogste tijd om de inwendige mens te versterken, mijn maag begint vervaarlijk te grommen. Mijn reddende engel is de „Blauwe Engel”, een restaurant ingericht in twee oude goederenloodsen. Hier kan je terecht voor een koude of warme hap. Zelf meegebrachte lunchpakketen worden getolereerd. Bij zonnig weer kan je natuurlijk beter ergens buiten op één van de vele daarvoor voorzien plaatsen verpozen. Het restaurant heeft eveneens een terras en een speeltuintje voor de kleintjes.
Buiten...
werd op 2,5 hectare een heus spoorpark gerealiseerd waarvan een gedeelte met typische spoorbermflora is aangelegd. Er staan zelfs een echt seinhuis (afkomstig uit Hoogezand) en een overweghuisje (uit Eist) opgesteld. Het is ondoenbaar om alle mogelijke locomotieven en rijtuigen, een 60-tal, die hier verzameld zijn op te sommen. Wij kunnen wel zeggen dat er juweeltjes bijstaan. Zoals het oudste materieel: Materieel 1864, dat een cosmetische oppoetsbeurt kreeg in Oost-Duitsland, en het Materieel 1863: een veewagen van de Staatsspoorwegen (SS). In de nabije toekomst zal recenter materieel, nl. de Hondekop (Materieel ’54) de collectie komen vervoegen. De locomotief De Arend mét rijtuigen die zich hier laat bewonderen, is een copie uit 1939, gemaakt naar de oorspronkelijke plannen. Wat verder treffen we een locomotief SS 13 met losse tender, gebouwd in 1864 voor de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen aan. Dit type van locomotief reed van 1863 tot 1932. Deze SS 13 is de oudst bewaarde stoomlocomotief in Nederland. De rijtuigen van de Oriënt Express, die wij in een overdekte loods aantreffen zijn originele rijtuigen die uit Hongarije afkomstig zijn en wanneer wij door de ramen kijken, zien wij origineel gedekte tafels die op een gezelschap uit het begin van deze eeuw lijken te wachten. Het TEE-Wagentreinstel materieel ’24, de „Blokkendozen”, wat verderop werd gebouwd in 1927. Het Materieel ’24 wordt ook verhuurd en voor een culinair ritje kan er zelfs een 3de restauratierijtuig aan toegevoegd worden. Het museumterrein vormt af en toe het perfecte kader voor exclusieve feestjes, meestal na sluitingsuur. Een etentje in de Oriënt Express of een receptie aan boord van het Materieel ’24 zijn prijzig, maar de opbrengsten komen alleen maar het museum ten goede. Helemaal in een glazen kooi staat een Locomotief NS 3737 te pronken.
| De NS-geschiedenis in een notedop Het was Luitenant-Kolonel Bake die vorige eeuw in verrukking kwam van het nieuwe vervoermiddel over land: de trein. Hij zag de eerste rijden tussen Manchester en Liverpool en wilde er zo vlug mogelijk werk van maken op het thuisfront. Op 20 september 1839 was het zover, de eerste Nederlandse trein spoorde van Amsterdam naar Haarlem tegen 40 km/h. De HSM of eerste Hollandsche Ijzeren Spoorweg-Maatschappij werd al in 1837 gesticht. Om Amsterdam met Keulen te verbinden werd in 1845 de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) opgericht. Vanaf 1860 wordt de aanleg van de spoorwegen door de Staat geregeld. Dit resulteerde in de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS). De spoorwegen in Nederland groeiden: bruggen en stations schoten als paddestoelen uit de grond en lijnen werden aangelegd. Deze nieuwe vorm van reizen kende een enorm succes. Ook het comfort werd alsmaar beter. De twee grote maatschappijen HSM en Staatsspoorwegen waren begin deze eeuw nog steeds concurrenten. Na de eerste wereldoorlog zijn het de kostenstijgingen en gevoelens van nationale eenheid die uiteindelijk de doorslag geven om beter samen te werken. NS of de Nederlandse Spoorwegen werden een feit op 1 januari 1917. Tussen 1908 en 1953 veranderde het gezicht van de spoorwegen grondig. Treinen gingen sneller, vaker en bovendien volgens een vaste uurdienst rijden. De NS, haar infrastructuur én materieel kwamen gehavend uit de tweede wereldoorlog. Wederopbouw en elektrificatie gingen hand in hand. In 1958 werd het stoomtijdperk afgesloten en lag het spoor definitief open voor elektrische- en dieseltractie. De beveiligings- en signaliseringssystemen werden uitgebreid en gemoderniseerd. Intercity-treinen deden hun intrede, lijnen als de Schiphol- en de Flevolijn vormden belangrijke nieuwe schakels in het net. Vormgeving en architectuur kregen opnieuw de aandacht die ze verdienden. De vervoersbehoefte werd steeds groter en moest opgevangen worden. Spectaculair hierbij is de komst van de hogesnelheidstreinen. |
Deze 3737 wordt ook Jumbo genoemd. Vandaar ook de naam van de modelspoorbaan die over het terrein loopt: de Jumbo-express. Een IC III, een TGV of een stoomlocomotiefje rijden hier afwisselend of bij grote belangstelling achter elkaar. Deze treintjes zijn niet toegankelijk voor 12-plussers. Bij heet weer kunnen de kinderen zelfs een verkwikkende duik nemen in een openluchtzwembad!
Nederlands Spoorwegmuseum
Maliebaanstation, 3581 XW Utrecht
Bron: Het Spoor, augustus 1994
Rixke Rail’s Archives




