Homepagina > Het Spoor > Infrastructuur > Station > Het “stationsgebouw” evolueert
Het “stationsgebouw” evolueert
G. Hendrickx, eerste architect.
maandag 30 juli 2012, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Het “stationsgebouw”, in spoorwegdialect beter bekend onder de typisch Belgische benaming van “ontvanggebouw” of kortweg O.G., is voor het publiek het meest representatieve gebouw van ons spoorwegbedrijf. Dit onderdeel van onze stations heeft gedurende de laatste tien jaren een ononderbroken evolutie ondergaan, en dit onder invloed van een reeks factoren die hoofdzakelijk in twee groepen kunnen worden gesplitst: enerzijds de nieuwe eisen gesteld door de spoorwegexploitatie en, anderzijds, de strekkingen van uiteenlopende aard die geen rechtstreeks verband houden met de spoorweg, b.v. de nasleep van de oorlogen, het aanwenden van nieuwe produkten en uitvoeringsmethoden, zonder daarbij te vergeten dat, in artistiek opzicht, de algemene bouwkundige opvatting zeer sterk verandert.
Wij zullen, thans niet nader uitweiden over die laatste factoren welke, niets te maken hebben met de eigenlijke bestemming van onze nieuwe gebouwen; hierop zullen wij in een volgend artikel terugkomen. Laten wij voor het ogenblik enkel de beweegredenen in acht nemen die eigen zijn aan het spoorwegbedrijf en aldus de functionele opvatting van het stationsgebouw in sterke mate hebben beïnvloed:
- De concentratie van de bediening der seinen en der spoortoestellen in de “kern” van het gebouw, in het onmiddellijke bereik van het personeel der exploitatie;
- De vermindering van het goederenverkeer in de kleine stations, dank zij de baancentra, waardoor de aanneming der zendingen kan worden versmolten met de bagagedienst, waarvan het loket naast dat voor 4e uitreiking der reisbiljetten gelegen is;
- De noodzakelijkheid een aansluiting trein - autobus te verzekeren;
- De sociale vooruitgang en het groter comfort: de oude kachels worden vervangen door radiatoren; er worden steeds meer gerieflijkheden ter beschikking gesteld van het personeel en de cliënteel, de buffetten en de andere commerciële concessies worden uitgebreid.
Kortom, de veranderingen zijn van die aard dat een stationsgebouw, waarvan de plans twintig jaar van te voren zouden opgemaakt geweest zijn, misschien wel aan “de schone slaapster” zou doen denken indien het volgens de oorspronkelijke opvatting zou worden gerealiseerd.
Dit neemt niet weg dat er op ons net nog gebouwen zijn die uit de vorige eeuw dagtekenen. Enkele daarvan getuigen trouwens van een blijvende artistieke waarde. In dergelijke gevallen blijft de vooroorlogse strekking, d.w.z, de realisatie van een moderniseringsprogramma, van kracht.
Tegenwoordig pleiten de hierboven opgesomde rationalisatiemaatregelen echter meestal voor meer radicale oplossingen: de bestaande gebouwen volledig slopen! Tal van oude gebouwen delen aldus het lot van de herenhuizen uit het begin van deze eeuw.
Dit eerste chronologisch overzicht, gewijd aan de stationsgebouwen, zal dus betrekking hebben op tamelijk recente constructies. Voorlopig behandelen wij alleen de realisaties van gering of middelmatig belang. Wij zullen later de reeks aanvullen met de bouwwerken waaraan de laatste hand wordt gelegd, alvorens omvangrijkere gebouwen voor te stellen.
Niet zelden worden al die constructies in een mooi daglicht geplaatst dank zij de onverdroten zorgen die het personeel besteedt aan de bloemenversiering die door de reizigers zeer op prijs wordt gesteld en die tegelijkertijd een vooruitgang betekent voor de verfraaiing der werkplaatsen.
De lokettenhal is enkel bereikbaar langs het perron, dit om het tochten te vermijden in een streek waar de winter streng en vroegtijdig is.
Het seinhuis bevindt zich op de hoek van het gebouw en geeft uitzicht op de overweg.
Het seinhuis en de goederendienst werden er insgelijks ondergebracht.
De gevel in baksteen en het pannendak zijn zeer eenvoudig opgevat.
De seinpost van het oude gebouw moest op zijn oorspronkelijke plaats behouden blijven. De nieuwe constructie heeft deze post dan ook “ingepalmd” zonder dat hij buiten werking werd gesteld.
Dit functionele gebouw heeft een pittig uiterlijk dank zij de keuze der materialen: zandsteen, verglaasde bakstenen en gekleurd glas. In dit geïndustrialiseerd gebied geeft het nieuwe gebouw een frisse en kleurige indruk, wat door de beplantingen en de bloemperken nog onderstreept wordt.
Vanuit het vooruitspringende seinhuis is de spooroverweg duidelijk zichtbaar.
Het gebouw, waarvan de benedenverdieping even boven het grondvlak ligt, heeft een sierlijk voorkomen. De gevels zijn in geverfde baksteen en in zandsteen, het hellend dak is met platte pannen bedekt.
Opmerkenswaardig zijn de zeer moderne opvatting, het gebruik van tal van nieuwe materialen en de kleurenschakeringen in de binnenvertrekken.
De ingang van de wachtkamer wordt duidelijk aangegeven door de luifel en door de klok. Het aanpalende buffet is werkelijk gunstig gelegen.
Het geheel is aangevuld met een kleine parkeerplaats voor auto’s. Op het pleintje is een autobushalte voorzien.
De seintoestellen zijn in het bureau van het exploitatiepersoneel samengebracht.
Het licht hellend dak loopt door in de vorm van een luifel die de trap van de tunnel overdekt.
De lage voorgevel, eenvoudig van lijn, wordt bekroond door een ver overhangende kroonlijst en door een zwart pannendak.
De zalmkleurige bakstenen zijn herkomstig uit de streek.
De ingang voor de reizigers is duidelijk merkbaar door een vooruitspringend tochtportaal midden in een grote glazen wand. Links bemerkt men het buffet.
Bron: Het Spoor, december 1962
Rixke Rail’s Archives